Reactie van Jan Tervoort op de kritiek van Likoed Nederland en repliek auteurs ThiemeMeulenhoff

 

 

 

1)  “De Holocaust leidde tot de stichting van de staat Israël.” (bladzijde 8)

 

Likoed: Al in 1922 werd het Britse Palestijnse Mandaatgebied door de Volkenbond, de voorganger van de VN, met unanieme stemmen aan de Joodse gemeenschap toegewezen. Iedereen vond het logisch dat bij de opsplitsing van het gigantische Turks-Ottomaanse rijk er naast de 22 Arabische staten ook een staatje voor de Joden gevormd zou worden. Dit was dus al 23 jaar voor het einde van de Holocaust.
Israël werd in 1948 opgericht, maar vóór 1948 functioneerde er feitelijk al een Joodse democratische staat in het Britse Mandaatgebied met een eigen taal, cultuur, landbouw, universiteiten, kranten en een militaire strijdkracht.
Dus ook zonder Holocaust was Israël er zeker gekomen. En juist met een nog sterkere Joodse basis, want dan hadden velen van de zes miljoen vermoorde Joden zich er ook gevestigd.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Maar de Holocaust speelde zeker mee. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: In 1922 werd uitdrukkelijk niet tot oprichting van een Joodse staat besloten. De Balfourverklaring spreekt van een ‘nationaal tehuis in Palestina’. Niet ‘iedereen’ vond dit destijds ‘logisch’.

Dat er in de mandaatperiode al een embryo van een toekomstige staat groeide, maken wij duidelijk op p. 24.

De stelling ‘zonder Holocaust geen staat Israël’ is goed te verdedigen. Na 1945 bestond in de wereld sympathie voor de overlevenden van de Holocaust, en schuldgevoel dat geen macht ter wereld de Holocaust had helpen voorkomen. Deze factor – naast de motivatie van de Joden in Palestina – speelde zeker mee in de beslissende jaren 1945-1948.

 

 

Jan Tervoort

Deze stelling wordt in de tekst gepresenteerd als een kenmerkend aspect van de algemene geschiedenis van het Midden-Oosten. Er hoeft over de juistheid van deze stelling niet gediscussieerd te worden met betrekking tot wat (Nationaal Tehuis, Staat etc.) of wanneer (1917, 1922, etc.) omdat hij gewoon feitelijk onjuist is. Deze stelling stelt een enkelvoudig oorzakelijk verband tussen de Holocaust en de stichting van de staat Israël. Dat is onjuist. Een heel scala aan complexe politieke, militaire, sociale en culturele factoren leidden tot stichting van de staat Israël. De Holocaust in samenhang met de Britse dekolonisatie was wel een belangrijke katalysator, zowel op moreel vlak als op het gebied van vluchtelingenproblematiek,  in het proces dat leidde tot de stichting van Israël. De stelling dient dus gewijzigd te worden.

 

 

2) “Welke omstandigheden leidden tot de stichting van de staat Israël op het grondgebied van het toenmalige Palestina?” (bladzijde 9)

 

Likoed: Zie onder punt 1, het mandaatgebied Palestina was juist gecreëerd om zelfbeschikking door Joden te bewerkstelligen. Daarvoor bestond er geen Palestina.
Met Palestijnen werden destijds de Joden aangeduid. In de woorden van de Arabieren destijds: “Palestina is een zionistische uitvinding.” (Verklaring van Palestijnse leiding aan de Peel commissie in 1937).
Reactie ThiemeMeulenhoff: De auteurs snappen dit niet. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: De auteurs begrijpen de kritiek op de deelvraag in de katern niet. Op de invulling van het antwoord door Likoed Nederland schrijven ze het volgende:

De inrichting van het mandaatgebied was uitvloeisel van de (als imperialistisch te kenschetsen) Sykes-Picot-overeenkomst uit 1916. Het ging de Britten helemaal niet primair om zelfbeschikking voor de Joden, hooguit om (naast de andere motieven) een veilige woonplek voor hen te creëren. Met ‘Palestijnen’ werden toen alle bewoners van het mandaatgebied aangeduid, zowel Arabieren als Joden.

 

Jan Tervoort

Het gaat Likoed er in hun kritiek op deze stelling volgens mij om de uitdrukking ‘grondgebied van het toenmalige Palestina’. Wellicht vergezocht maar dit suggereert een staat Palestina (met grondgebied) en die was er voor de stichting van Israël in mei 1948 niet. Beter is dus ‘op het grondgebied van het Britse mandaatgebied Palestina’

 

3) “Zo begon de Britse bezetting van Egypte, die tot 1956 zou duren.” (bladzijde 12)

 

Likoed: Tot 1956 waren er Britse troepen in Egypte gelegerd, net zoals er anno 2015 nog Amerikaanse troepen in Nederland zijn gestationeerd. In 1922 werd Egypte echter feitelijk al onafhankelijk.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Maar Groot-Brittannië bleef verantwoordelijk voor de defensie. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Dus volgens de auteurs vocht Israël in 1948 en 1956 niet tegen het Egyptische maar tegen het Britse leger?

 

 

Auteurs: Die onafhankelijkheid  van Egypte was betrekkelijk. Na 1922 bleef Groot-Brittannië in Egypte verantwoordelijk voor de communicatielijnen van zijn Empire, de defensie, de bescherming van buitenlandse bezittingen. Britse militaire aanwezigheid werd gecontinueerd. De Kanaalzone bleef sowieso in Britse handen (en dus feitelijk bezet) tot 1956.

 

 

Jan Tervoort

Feitelijk klopt deze stelling niet. Beter is ‘Zo begon de Britse bezetting die specifiek met betrekking tot het geopolitiek strategisch belangrijke Suezkanaal tot 1956 zou duren.’

 

 

4) “Geboren uit onrecht, gegrondvest op onrecht.” (titel hoofdstuk 2, bladzijde 23)

 

Likoed: Het realiseren van het recht op zelfbeschikking voor het Joodse volk wordt blijkbaar als onrecht gezien. Als dat zo is dan zijn ook Australië, Canada, Suriname en de Verenigde Staten enz. gegrondvest op onrecht. Wordt dit in de boeken die ThiemeMeulenhoff over deze landen publiceert ook zo genoemd?
Reactie ThiemeMeulenhoff: Hiermee wordt de Holocaust bedoeld. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Denken de auteurs werkelijk dat er ook maar één scholier is – of wie dan ook – die begrijpt dat daarmee de Holocaust zou worden bedoeld?

 

Auteurs: Niet het realiseren van zelfbeschikkingsrecht wordt door ons ‘onrecht’ genoemd! Met het onrecht dat in de titel van H. 2 als eerste wordt genoemd, bedoelen wij uiteraard het alom aanwezige, eeuwenoude, vaak gewelddadige antisemitisme, uitmondend in de Holocaust.

De titel ‘geboren uit onrecht, gegrondvest op onrecht’ is overigens ontleend aan een opgave uit het (eerste) centraal eindexamen geschiedenis, 1976.

 

 

Jan Tervoort

Tja, dit is een titel van een hoofdstuk waar feitelijk niks mis mee is. Je kan deze stelling natuurlijk wel op heel veel manieren uitleggen. De verdere tekst met behulp van de leerkracht zal duidelijkheid moeten brengen.

 

 

5)  “Vanaf aartsvader Abraham (omstreeks 2.000 v. Chr.) tot in de Romeinse tijd bewoonden Joden de landstreek Palestina.” (bladzijde 22)

 

Likoed: Een merkwaardig anachronisme, want de Romeinen gingen het gebied pas Palestina noemen nadat zij in het jaar 135 de meeste Joden verdreven hadden. Dus in de bovengenoemde periode heette het gebied Israël of Judea.
Net zo min klopt de suggestie dat na de Romeinse tijd er geen Joden zouden hebben gewoond. Er hebben 3.000 jaar onafgebroken Joden gewoond, daarvan is ruimschoots historisch en archeologisch bewijs.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De tekst zal worden veranderd in “het gebied dat vanaf de Grieks-Romeinse oudheid met de naam Palestina werd aangeduid.”
Commentaar Likoed: Weer onjuist, ook in de Griekse oudheid heette het gebied Israël en Judea. Maar die originele namen moeten blijkbaar bewust vermeden worden van de auteurs. Net als de onafgebroken 3.000 jaar van Joodse bewoning ontkend wordt.

 

Auteurs: De formulering zou inderdaad correcter zijn geweest als er had gestaan: ‘het gebied dat vanaf de Grieks-Romeinse oudheid met de naam Palestina werd aangeduid…’ Wij zullen dit bij de eerstvolgende mogelijkheid aanpassen

 

Jan Tervoort

De kritiek van Likoed op dit punt is juist. De naam Palestina kwam pas in gebruik na de Joodse Bar Kochba opstand van 135 n Chr.. Daarvoor gebruikte men voor het hele gebied vooral Judea wat natuurlijk weer wijst op het voornamelijk Joodse karakter en cultuur van het gebied tot aan 135 n Chr. Het is ook zo dat er inderdaad altijd na 135 n Chr. altijd kleine minderheidsgemeenschappen van Joden in het gebied hebben gewoond, voornamelijk in Jerusalem en Hebron maar deze informatie lijkt te veel en niet functioneel voor de inleidende alinea. Een compleet nieuwe alinea bij de eerst volgende mogelijkheid is een aanbeveling.

 

6) “Dat Palestina geen leeg land was – er woonden zo’n driekwart miljoen Arabieren – was voor hen geen beletsel.” (over de zionistische immigratie eind negentiende eeuw, bladzijde 22)

 

Likoed: In het voormalige mandaatgebied Palestina wonen nu circa twintig miljoen mensen. In 1890 woonden er nog geen 500.000 Arabieren, dat is dus 2,5% hiervan.
Gedeeltelijk waren dat trouwens ook nieuwkomers vanwege de Joodse immigratie, want een eeuw eerder was het zelfs maar de helft daarvan. Daarmee kan het gebied behoorlijk leeg worden genoemd. Veel Arabische bewoners woonden er ook niet vast, maar waren rondtrekkende Bedoeïenen.
Het is trouwens een merkwaardige stelling. Of vinden de auteurs het ook vreemd, dat hoewel Nederland al dichtbevolkt is, er hier nog steeds buitenlanders willen komen wonen, zoals Marokkanen, Turken en Somaliërs? Pleiten zij soms voor een verbod op migratie, met terugwerkende kracht?
Reactie ThiemeMeulenhoff: Wij vinden de vergelijking met het huidige aantal bewoners onzinnig. De vergelijking met immigratie in Nederland is onhistorisch. Tekst wordt niet aangepast
Commentaar Likoed: Waarom de vergelijkingen “onzinnig” zijn wordt niet verklaard.

 

 

Auteurs: Hoeveel Arabieren er rond 1900 in de landstreek Palestina woonden? Er was geen volkstelling, schattingen lopen uiteen. Conclusie van een studie van Joan Peters (From Time immemorial): ‘The nature of the data do not permit precise conclusions about the Arab population of Palestine in Ottoman and British times’. Zij geeft diverse schattingen, de hoogste is: 738.000 in 1912/1914. De meeste boeken geven aan 700.000 – 800.000.

Onzinnig is het om dit gegeven te vergelijken met de  ’20 miljoen’ inwoners van het huidige Israël + Jordanië + omstreken.

De toevoeging over Marokkanen, Turken en Somaliërs die naar Nederland kwamen is een onhistorische en niet-passende vergelijking.

 

 

 

Jan Tervoort

Met deze zin en het aantal woonachtige Arabieren in het gebied is niets mis. Het is opvallend dat Likoed Nederland via allerlei onbegrijpelijke wegen vast probeert te houden aan de mythe van ‘het lege land’. Er is geen enkele serieuze historicus die dit onderschrijft.

 

 

7) “De Britse regering zat in de oorlog dringend verlegen om geld. Joodse bankiershuizen zouden tot gunstige leningsvoorwaarden bereid zijn als de regering een gebaar maakte naar het Joodse volk.” (redenen voor de Balfourverklaring, bladzijde 23).

 

Likoed: Wij zijn erg benieuwd naar de lijst van Joodse bankiershuizen die los van enige commerciële overweging de geallieerde oorlogsinspanning alleen maar zouden hebben willen financieren na de Balfourverklaring, en met welke bedragen zij er daarna pas toe over gingen. Dit is een klassieke antisemitische aantijging, hoe kunt die publiceren? Overigens hebben wij deze aantijging nog nooit aangetroffen, hebben de auteurs deze zelf bedacht?
Overigens is het opvallend dat er vier redenen worden gegeven voor de Balfourverklaring, maar dat de belangrijkste reden niet wordt vermeld: dat men het logisch vond dat de Joden zelfbeschikking kregen. Dat was het algemene gevoel: “Het is overduidelijk rechtvaardig dat de verspreide Joden een eigen thuis krijgen, en waar anders dan in Palestina waar zij al 3.000 jaar sterk mee verbonden zijn? Het is goed voor de wereld, goed voor de Joden, en het is ook goed voor de Arabieren, want zij kunnen delen in de voordelen en de vooruitgang door het zionisme.” (Winston Churchill als staatssecretaris in 1921).
Het roept de vraag op welke anti-Joodse bronnen de auteurs gebruikt hebben.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De chantage van de Joodse bankiershuizen is inderdaad niet waar. Er bestond helemaal geen joodse wereldmacht of complot! Maar de Joodse macht werd destijds door sommigen wel overschat, dus misschien waren er mensen destijds die dachten dat het wel waar was. Tekst wordt niet aangepast.
Over waarom er geen melding wordt gemaakt van de belangrijkste reden voor de Balfourverklaring – erkenning van het recht op zelfbeschikking van het Joodse volk – is de reactie dat de uitspraak van Churchill niet het algemene gevoel verwoordde, want Churchill verdedigde het regeringsbeleid. Die tekst wordt ook niet aangepast.
Commentaar Likoed: Er zijn honderden soortgelijke citaten als die van Churchill. 
Een bloemlezing staat hier. 

 

Auteurs: In de begeleidende brief doet de heer Struick van Bemmelen de infame aantijging dat wij ons door nazipropaganda zouden laten misleiden: ‘Wij hadden zeker niet verwacht dat zelfs gedachtegoed uit de nazistische propaganda - over Joodse bankiers die de wereld chanteren - hun weg zouden vinden naar een Nederlands schoolboek anno 2015.’

Vermoedelijk slaat die zin op het tekstfragment (p. 23) dat een van de overwegingen die leidden tot de Balfour Declaration  van 1917 was dat de Britse regering toen dringend om geld verlegen zat, en hoopte op gunstige leningsvoorwaarden van Joodse bankiershuizen.

Hoe komt de heer Struick van Bemmelen erbij te concluderen dat wij dit argument uit nazistische bron hebben gehaald! Het genoemde motief (anno 1917) valt met gezaghebbende literatuur te verdedigen. Onder meer met de historicus Jonathan Schneer die in zijn boek (The Balfour Declaration) duidelijk maakt dat de Joodse macht destijds juist enorm overschat werd. In werkelijkheid bestond er helemaal  geen joodse wereldmacht of  complot! (dat dit waanidee toen zelfs bij filosemieten in Westminster leefde, was volgens Schneer een teken dat beruchte vervalsing ‘De protocollen van de Wijzen van Zion’ haar uitwerking niet had gemist).

Wij stellen slechts (p. 23) de Britse regering hoopte op Joodse steun. Hier staat beslist niet dat Joodse bankiers de wereld wilden chanteren!

Bovendien is het onjuist om van de uitspraak van Churchill (minister van Koloniën in 1921) te beweren dat die ‘het algemene gevoel’ verwoordde. Hij moest met de hem eigen retoriek goedpraten wat Sykes en Picot in 1916 hadden bekokstoofd.

 

 

 

Jan Tervoort

De beschuldiging van antisemitisme door Likoed op dit punt is zelfgezocht, vergezocht, zwaar overdreven en onjuist. In de verkorte weergave van de reactie van de auteurs Van Oudheusden en Robert Boonstra in het artikel op de website van Likoed Nederland, worden de woorden van de auteurs zo verdraait en verknipt dat de suggestie wordt gewekt dat zij schuld bekennen (‘De chantage van de Joodse bankiershuizen is inderdaad niet waar’). Dit is laakbaar. Ik verzoek Likoed Nederland dan ook in verband met de correctheid van de hele discussie, de reacties van de auteurs integraal op de website te publiceren.

 

Wat de auteurs in dit geval bedoelen is dat de Britse regering met het gebaar van de ‘Balfour Declaratie’ verdere en wellicht betere hulp van de voornamelijk Amerikaanse Joodse Bankiershuizen probeerde veilig te stellen vanwege haar eigen precaire financiële situatie. De formulering ‘Joodse bankiershuizen zouden tot gunstige leningsvoorwaarden bereid zijn’ is niet heel gelukkig (want dan krijg je vragen van welke dan? En, wat waren de voorwaarden?) maar om hier ‘chantage van een Joods wereldwijd bankierscomplot’ in te lezen, in de zin en binnen de context van de tekst is erg ver gezocht.

 

De voornaamste kritiek op deze opsomming van Britse motieven voor de Balfour Declaratie is echter dat het belangrijkste motief ontbreekt: De Declaratie was een propaganda stunt om via het Zionisme de steun van het – op beslist antisemitische wijze zeer machtig geachte – wereldjodendom, zowel in Amerika - de nieuwe onbekende bondgenoot - als Rusland - dat onder de bolsjewistische revolutie uit de oorlog dreigde te stappen - te mobiliseren. Twee belangrijke adviseurs van de Amerikaanse president Wilson, Louis Brandeis en Felix Frankfurter waren de leiders van de Amerikaanse zionistische beweging in Amerika en zo konden de Britten wellicht ook de nieuwe bondgenoot positief beïnvloedden. Het propagandamotief met het oog op het mobiliseren van mondiale Joodse politieke en financiële steun aan de zijde van de Entente wordt door de meeste historici (Schneer, Gelvin, Shlaim, Renton, etc.) als voornaamste motief aanvaard. Ook een hoofdrolspeler als Loyd George geeft dit als voornaamste motief in zijn memoires.

 

8)  “De verklaring bevatte twee onverenigbare beloftes: enerzijds de stichting van een Joods nationaal tehuis en anderzijds het bewaren van de rechten van de ‘niet Joodse gemeenschappen.” 

 

Likoed:Er is geen onverenigbaarheid, bijna alle landen hebben minderheden, waarvan de rechten beschermd kunnen worden. Zoals in de democratische rechtsstaat Israël ook gebeurt, als enige land in het Midden-Oosten.
Israël is wat dat betreft een voorbeeld in de regio, waar rechten van minderheden niet bestaan en/of vertrapt worden. Homo’s worden opgehangen in Iran, christenen onthoofd in Syrië, Jezidi’s levend verbrand in Irak, boeddhisme is in Egypte verboden, et cetera.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De aanslagen die gepleegd werden, laten zien dat de Arabieren het er niet mee eens waren. Maar toch vinden de auteurs de vergelijking met het huidige Midden-Oosten “geheel misplaatst”. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Dus aanslagen van moslimextremisten bewijzen hun gelijk, volgens de auteurs.

 

Auteurs: De luchthartigheid waarmee GB in 1917-1921 aannam dat het wel zou klikken tussen de autochtone Arabieren en de Joodse immigranten is voor historici onmiskenbaar. Achteraf bekeken blijken beide beloftes (én een Joods tehuis, én geen aantasting van de rechten van ‘niet-Joodse gemeenschappen’) wel degelijk onverenigbaar, gezien de rellen, aanslagen, geweldsuitbarstingen, pogroms die kort daarna uitbraken.

Geheel misplaatst is de vergelijking tussen de situatie in het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina, en de extreme praktijken in IS-gebied en in Iran anno 2015.

 

 

Jan Tervoort

Deze stelling is semantisch gezien onjuist. Zuiver tekstueel is er namelijk geen ‘onverenigbaarheid’ tussen de twee beloftes. Hoewel we hier het pad van muggenzifterij inslaan is er ook een goed historisch argument om de stelling als onjuist te duiden. Het gaat hier om het woord ‘onverenigbare’  Bij het opstellen van de Balfour Declaratie in 1917 is geenszins duidelijk dat de beloftes in de verklaring ‘onverenigbaar’ zijn. In theorie bevat de tekst van de Britse propagandastunt geen ‘onverenigbaarheid’. Beter zou zijn om ‘tegenstrijdige beloftes’ of ‘beloftes die op gespannen voet met elkaar stonden’. Het historische argument in deze, is, dat het woord ‘onverenigbare’ vooruitwijst naar de problemen die in het Mandaatgebied na 1920 zouden ontstaan. Er zit in deze stelling dus een teleologisch determinisme die in de kern onhistorisch is.

 

9) “De Arabische bevolking was nauwelijks georganiseerd en kon weinig uitrichten tegen de zionisten, die technisch en organisatorisch superieur waren.” (bladzijde 24)

 

Likoed: Een merkwaardige bewering, waarom zou de Arabische bevolking iets ‘moeten uitrichten’? Integendeel, de Arabische bevolking profiteerde juist enorm. De joodse inspanningen creëerden enorme werkgelegenheid en vooruitgang op medisch gebied, waaronder de bestrijding van ziektes als malaria. De levensstandaard van Palestijnse Arabieren verdubbelde hierdoor tussen 1920 en 1937. Deze werd veel hoger dan die van de Arabieren in de omliggende landen. De kindersterfte halveerde.
Arabieren uit omliggend gebied trokken dan ook massaal naar het Britse Mandaatgebied om van deze vooruitgang te profiteren.
Wetenschapper Sergio Della Pergola concludeert in zijn demografische studie ‘Israele e Palestina: la forza dei numeri’ dan ook: “Zoals de demografische data aantonen, woonden de meeste moslims in het jaar 1948, toen Israël werd gesticht, minder dan 60 jaar in het Britse Mandaatgebied.”
Er is in dit boek veel aandacht voor de Joodse immigratie, echter geen enkele voor de Arabische.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Het klopt dat de Arabieren profiteerden. Tekst wordt echter niet aangepast.
Geen reactie over het niet vermelden van de Arabische immigratie.

 

 

Auteurs: Hierover is discussie. Inderdaad profiteerden veel Arabieren van door Joodse immigranten ingevoerde innovaties.

Ter vergelijking: In het toenmalige Nederlands-Indië werd de dankbaarheid voor de pokkeninjecties bij de inheemse bevolking door de koloniale ambtenaren wel eens misverstaan als uiting van loyaliteit aan de blanke meesters. Kon van de Arabische bewoners van Palestina niet hetzelfde worden gezegd? Ze profiteerden van de vooruitgang, maar tezelfdertijd had het Arabische nationalisme (o.a. door WO I) een sterke impuls gekregen (zoals wij aangeven in bron 8 op p. 25, het rapport van de Peel-commissie).

Feit is dat de Joden een veel betere organisatiegraad kenden dan de Arabieren, alsmede dat zij zeer gemotiveerd waren om hun nieuwe nationale tehuis tot ontwikkeling te brengen. 

 

 

Jan Tervoort

Als je op alle slakken zout wil leggen snap ik het punt van Likoed Nederland. Echter deze zin moet in de context gelezen worden van de verslechterende verhouding tussen zionisten en de Arabische bevolking en is dus functioneel. Het betreft hier een schoolboek waar je met beperkte ruimte oorzakelijke verbanden moet leggen.

 

10) “Het Joodse Nationaal Fonds kocht landbouwgrond op van Arabische grootgrondbezitters. Vervolgens zagen Arabische pachtboeren de Joodse kolonisten op hun land neerstrijken. Vaak raakten zij op die manier hun bron van inkomsten kwijt. De hoop op een Joods-Arabische samenwerking ging in rook op.” (bladzijde 24)

 

Likoed: Dit is een oude aantijging, die al in 1937 door de Britse onderzoekscommissie Peel weerlegd is. Die constateerde dat – hoewel daartoe geen enkele juridische verplichting toe bestond – de Arabische pachtboeren door de Joden gecompenseerd werden.
De meeste aangekochte grond was trouwens daarvoor nog niet ontgonnen. Dat constateerde de commissie Peel ook: “Veel van het land dat nu vol staat met sinaasappelbomen, was daarvoor zandduinen of moeras en onbebouwd toen het werd gekocht …. er waren ten tijde van de verkoop weinig indicaties dat de toenmalige eigenaren de middelen of de kennis bezaten die nodig waren om de grond te ontwikkelen.”
De Joodse investeringen creëerden juist veel nieuwe werkgelegenheid, zie vorige punt.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Toch waren er wel pachtboeren die hun inkomen kwijtraakten. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: Door verkoop van grond door (veelal elders wonende) Arabische landeigenaren aan Joodse kolonisten, raakten Arabische pachtboeren hun bestaanszekerheid kwijt. De samenwerking tussen Joodse kolonisten en Arabische buren betekende inderdaad nieuwe werkgelegenheid en vooruitgang. Dit staat wel degelijk bij ons te lezen: ‘Joods immigranten veranderden dorre of moerassige streken in vruchtbare landbouwgrond’. Helaas is die ontwikkeling verstoord door diverse factoren, o.a. opkomend Palestijns nationalisme.

 

 

Jan Tervoort

De werkelijkheid lag inderdaad veel ingewikkelder dan mogelijk is om in één zin weer te geven. Maar zoals bij punt 9 het betreft hier een schoolboek en deze zin is functioneel binnen de context van de verslechterende verhoudingen tussen zionisten en Arabieren.

 

 

11) “In 1936 brak er in Palestina een burgeroorlog uit tussen Joden en Arabieren.” (bladzijde 24)

 

Likoed: Het was geen burgeroorlog, het waren terreuraanvallen van bendes van de toenmalige, eerste leider van de Palestijnen Al-Hoesseini op Joden, Britten en gematigde Palestijnen. In 1938 “doodden deze bendes 279 Joden en meer dan tweeduizend Palestijnen waarbij de laatsten met buitengewone wreedheid waren ‘behandeld’.”
En, niet onbelangrijk: 
deze terreur werd gefinancierd door en van wapens voorzien door nazi-Duitsland.
In het boek wordt de grootmoefti van Jeruzalem Al-Hoesseini helemaal niet genoemd, alhoewel hij de eerste leider was van de Palestijnse Arabieren, gedurende circa 25 jaar.
Het past in een breder beeld, waarbij door het opkomende moslimfundamentalisme Joden in de Arabische wereld afgeslacht werden bij pogroms, denk aan het 
bloedbad van Hebron (1929) en de Farhud in Bagdad (1941) (die trouwens in het boek van ThiemeMeulenhoff ook niet worden genoemd)
En zoals vaak in de geschiedenis, waren Joden het eerste doelwit, maar niet het laatste, zoals wij momenteel dagelijks kunnen vernemen over jezidi’s, christenen en andere niet-moslims. Die link met het heden zou juist instructief kunnen zijn voor leerlingen.
Als dit antisemitisme van de eerste Palestijnse leider wel vermeld was, samen met het gegeven dat hij alle gematigde Palestijnen liet doden die in vrede met de Joden wilden leven, zou de ontstaansgrond van het conflict een stuk duidelijker worden.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Eerder staat wel dat prominente Arabische leiders de haat tegen Joden aanwakkerden. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: De islamitisch geïnspireerde Jodenhaat en de band met de nazi’s blijven volledig onvermeld in het boek. Die zijn voor de auteurs blijkbaar onbelangrijk als ontstaansgrond van het conflict.

 

Auteurs: In de historiografie wordt doorgaans wel gesproken van ‘burgeroorlog’ of van ‘revolte’. De geweldsuitbarsting tegen Joden wordt door ons verwoord: ‘Prominente Arabische leiders (bedoeld zijn personen als Al-Hoesseini) wakkerden de haat tegen Joden aan … Er vonden tal van moordaanslagen plaats op Joodse gemeenschappen…’. Wij hebben ervoor gekozen de naam van Al-Hoesseini niet te noemen. In de geschiedschrijving bestaat verschil van inzicht omtrent de concrete invloed van deze haatprediker.

 

 

Jan Tervoort

Deze zin is feitelijk historisch onjuist en dient dus aangepast te worden. Ondergetekende is in de uitgebreide historiografie nog nooit de kwalificatie ‘burgeroorlog’ voor de Arabische Opstand van 1936-1939 tegengekomen. De Arabische Opstand was precies wat deze betiteling inhoudt, onder leiding van Al-Hoesseini nam de Arabische gemeenschap de wapens op tegen het Britse gezag en de Yishuv. Binnen de context van het hoofdstuk dient de Arabische Opstand ook gezien te worden als reactie op versnelde Joodse immigratie vanaf 1933 en de toenemende invloed van de Yishuv. Overigens is het zo dat de rol van Al-Hoesseini in de periode 1921-1939 niet gebagatelliseerd kan worden op basis van latere gebeurtenissen en discussies daarover. Al was het maar vanwege het feit dat hij door de Britten zelf als de facto leider en woordvoeder van de Arabische (moslim) gemeenschap werd aangesteld in 1921 en hij het hoofd van de machtigste Arabische clan binnen het Mandaatgebied was.

 

12) “In de Tweede Wereldoorlog namen de meeste Arabieren een afwachtende houding aan, omdat zij die oorlog als een Europese zaak beschouwden.” (bladzijde 25)

 

Likoed: Dit gold nu juist niet voor dé Palestijnse leider destijds, Al-Hoesseini, zie het vorige punt. Zijn islamitische jeugdbeweging heette niet voor niets ‘de nazi-padvinders’. Deze verspreidde folders met nazi leuzen en hakenkruizen. Ook voor volwassenen verspreidde zijn beweging massaal folders, met teksten als:
“Arabieren, vergeet niet dat sinds mensenheugenis de Jood de grootste vijand is, van je voorouders en van jullie. Laat je niet door hem misleiden, want hij is het die Christus martelde en die Mohammed vergiftigde. En nu wil hij jullie weer slachten, net zoals in het verleden!”
Al voor de Tweede Wereldoorlog liet hij zich financieren en bewapenen door nazi-Duitsland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtte hij aparte islamitische SS-divisies op die vreselijk huis hebben gehouden op de Balkan. Door zijn persoonlijke bemoeienis werden duizenden Joodse kinderen vermoord in de gaskamers. Hij maakte Arabische propaganda-uitzendingen voor nazi-radio Berlijn, met oproepen als: “Dood de Joden waar je ze maar vinden kan. Dat is prijzenswaardig; voor Allah, de geschiedenis en onze religie.”
En hij bezocht vol enthousiasme Auschwitz en verlangde ernaar om 
ook in Palestina vernietigingskampen op te richten (hij wilde in de buurt van Nablus zo’n kamp bouwen).
Reactie ThiemeMeulenhoff: Er is discussie over de invloed van Al-Hoesseini. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Al-Hoesseini was ruim twintig jaar de onbetwiste leider van de Palestijnse Arabieren en speelde een cruciale rol in het ontstaan van het conflict en het vermoorden van duizenden gematigde Palestijnen die in vrede met de Joden wilden samenleven.

 

Auteurs: Over het heftige en verderfelijke antisemitisme van Al-Hoesseini hoeft geen twijfel te bestaan; wel over diens invloed vanuit ballingschap op de situatie in het mandaatgebied Palestina. (zie punt 11)

 

 

Jan Tervoort

Met deze zin binnen de context is niets mis. Het speciale geval al-Hoesseini die als balling onderdak kreeg in Nazi-Duitsland en zijn virulente antisemitisme doet er binnen de context niet echt toe omdat zijn invloed in tegen stelling tot de periode 1921-1939 bij ‘de meeste Arabieren’ in het mandaatgebied inmiddels beperkt was.

 

 

13)  “In april 1948 voerde een commando van extremistische Joden een massamoord uit op 254 Arabische inwoners van het dorp Deir Yassin.” (bladzijde 26)

 

Likoed: Wat in de eerste plaats opvalt, is het ontbreken van de context, waardoor gesuggereerd wordt dat het een opzettelijke massamoord was op burgers. Dat was het niet.
Vanuit het strategisch gelegen Deir Yassin werd de weg Tel Aviv-Jeruzalem onder vuur genomen, onder meer door Irakese strijdgroepen. Jeruzalem was daardoor onbereikbaar en kon niet bevoorraad worden. Het was daardoor een legitiem militair doelwit, volgens het oorlogsrecht. Bovendien was de burgerbevolking voor de aanval opgeroepen om niet te blijven. Bij de gevechten verscholen de strijders zich tussen de burgerbevolking.
Na de strijd klopten de Arabische media dit verhaal enorm op om de bevolking aan het strijden te krijgen, zoals de belangrijkste betrokkenen verklaard hebben aan de BBC 
(onder andere hier).
Een Palestijnse studie van de Bir Zeit universiteit kwam echter tot vermoedelijk 107 doden, hoogstens 120, waaronder de strijders. Het aantal van 254 burgerdoden is dus reeds lang als onzinnig ontmaskerd, en laat zien dat de auteurs slecht of verouderd bronnenmateriaal gebruiken.
Wat verder opvalt, is dat de veel vaker voorkomende, bewust tegen Joodse burgers gerichte aanvallen van Arabieren niet genoemd worden, zoals het uitmoorden van het Hadassah medisch konvooi of het uitmoorden van de 127 mannelijke bewoners van Kfar Etzion, waardoor alle kinderen in dit Joodse dorpje in een keer wees werden.
Deze Arabische terreurgroepen werden opnieuw geleid door de Jodenhater Al-Hoesseini. Deze was uit geallieerde gevangenschap ontsnapt en had zo een veroordeling van zijn nazi-oorlogsmisdaden ontlopen.
Reactie ThiemeMeulenhoff: 1. Het aantal doden klopt niet, tekst wordt aangepast. 2. De Irgun had niet mogen aanvallen, want er was een niet-aanvalsverdrag met het dorp. Tekst wordt niet aangepast. 3. Het verhaal van Deir Yassin is “iconisch”, daarom wordt alleen dat vermeld. Tekst wordt niet aangepast
Commentaar Likoed: 2. Het was uiteraard het dorp dat als eerste het niet-aanvalsverdrag schond, door de legering van Irakese troepen en de beschietingen vanaf het dorp. 3. Dus omdat de Arabische propaganda het incident enorm opblies, is dit als enige vermeldenswaard? Een merkwaardige opvatting van historische objectiviteit.

 

 

Auteurs: De geachte opponent snijdt omtrent de berichtgeving over Deir Yassin de volgende thema’s aan: 1.  Het aantal doden dat in Deir Yassin onder de burgerbevolking is gevallen; 2. De moord was geen opzettelijke massamoord; 3. Waarom wordt hier niet meer behandeld dan alleen Deir Yassin? 

Aantal

Het aantal burgerslachtoffers van het drama in Deir Yassin 1948 is inderdaad een discussiepunt en verdient aanpassing in de volgende druk van de katern. Ons boek is van 2007 (eerste druk). Het aantal van 254 te betreuren doden is te vinden in de Engelse druk (2011) van A line in the Sand, dat is geschreven door Kings College Fellow James Barr, wat niet als verouderd of slecht bronmateriaal is aan te merken. Het werk van Eugene Rogan (directeur van het Middle East Centre in Oxford), ook een druk uit 2011, geeft een getal van ca. 110 aan, een getal dat in meerdere werken aannemelijk wordt gemaakt (Benny Morris, Journal of Israeli History: Politics, Society, Culture, 2006). Dit is inderdaad reden genoeg om dit punt ter discussie te stellen.

Opzet of niet.

Westerse historici namen aan dat er voor de aanval op Deir Yassin geen enkele aanleiding bestond en dat dit als een slachting / moord te betitelen valt. In de bundel “The War for Palestine: Rewriting the History of 1948” (red. Eugene Rogan samen met Avi Shlaim, 2007) wordt aan de weging van gebeurtenissen in het jaar 1948 ruim aandacht besteed. Deir Yassin wordt hier niet uitgebreid besproken, maar Rogan doet de bespreking nog eens dunnetjes over betreft deze nederzetting in zijn werk De Arabieren (tweede druk 2011 p. 351-353). Hierin schrijft hij dat dit dorp, dat met de Joodse bevelhebbers in Jeruzalem een non-agressiepact had gesloten, toch wel de minste reden had om de troepen van de Irgoen te vrezen.

Waarom Deir Yassin en niet meer?

Het schrijven van een onderwijskatern gaat gepaard met veel keuzes. In de lijn van het verhaal waarin de consolidatie van de staat Israël wordt beschreven paste het verhaal van het inmiddels iconisch geworden drama van Deir Yassin. De gebeurtenissen in Deir Yassin worden beschouwd als het moment waarop de Joodse strijdkrachten de overhand kregen op de Palestijnse door de sfeer van defaitisme die het bij de Palestijnse Arabieren creëerde. “Deir Yassin” wordt tevens gezien als het beginpunt van de grootschalige Palestijnse exodus, een onderwerp dat later in het boek wordt opgepikt. Benny Morris schrijft in zijn analyse van de historiografie van Deir Yassin (Journal of Israeli History: Politics, Society, Culture, 2006. p. 79) ‘Most historians agree that what happened, and what was instantly broadcast about what happened, were a major precipitant in the flight of Arab communities from various areas of Palestine, significantly contributing to the creation of the refugee problem.’

 

 

Jan Tervoort

Hoewel er over Deir Yassin veel historische discussie is, is tegenwoordig de historische consensus dat er ongeveer 120 burgerslachtoffers zijn gevallen voornamelijk door het optreden van de Joodse extremistische milities Etzel (Irgun) en Lehi (Stern gang). Ook de Haganah was echter bij de actie betrokken. Het getal van 254 slachtoffers dient aangepast te worden. Hoewel Deir Yassin een belangrijk keerpunt is, in de zin dat het van grote invloed is geweest als oorzaak van het later op de vlucht slaan van veel Arabische gemeenschappen en de sfeer van defaitisme aan Arabische zijde, en het derhalve functioneel is om binnen de context  te vermelden, vind ik dat de context duidelijker uitgelegd kan worden. Vanaf november 1947 tot mei 1948 is er namelijk sprake van een complete burgeroorlog tussen Zionisten en Arabieren in het Mandaatgebied met onschuldige burgerslachtoffers over en weer. In de meest actuele historiografie wordt dit naar Morris ook de ‘burgeroorlog fase’ van het conflict genoemd. De eerste zin van deze alinea maakt dat onvoldoende duidelijk. Beter is bijvoorbeeld: ‘Begin 1948 was binnen het mandaatgebied sprake van een burgeroorlog met toenemend geweld, represaille-acties en onschuldige burgerslachtoffers aan beide zijden.’

 

14) “Pas tientallen jaren later durfden Israëlische historici op grond van gedegen bronnenonderzoek boeken te publiceren waarin werd aangetoond hoe systematisch de Palestijnse Arabieren van huis en haard werden verdreven.” (bladzijde 26)

 

Likoed: Nadien zijn er nog meer archieven opengegaan, en is de hypothese van systematische verdrijving weer naar het rijk der fabelen verwezen. De oprichter van de groep nieuwe historici, Benny Morris, heeft inmiddels erkend dat zijn eerdere veronderstelling, dat er een plan was om Palestijnen te verdrijven, onjuist is op basis van de later opengegane archieven.
Zie de verklaringen 
hier en hier van hem zelf hierover.
De bekendste overgebleven exponent van deze groep is nu nog Ilan Pappe. Deze extreme communist 
heeft zelf toegegeven dat hij gedreven wordt door zijn ideologie, en die belangrijker vindt dan de werkelijke feiten: “I am not as interested in what happened as in how people see what’s happened.”
Zijn werk is dan ook als foutief en wetenschappelijk frauduleus ontmaskerd, zie bijvoorbeeld 
hier en hier.
Professor E. Karsh van de Universiteit van Londen schreef een boek waarin hij de vele onwaarheden van de ‘nieuwe historici‘ aan de kaak stelt: ‘Fabricating Israeli history: the ‘new historians’.
Ook schreef hij in 2010 een boek dat wel gebaseerd is op de recent opengegane archieven, ‘Palestine betrayed’, waarin hij concludeert dat er van systematische verdrijving geen sprake was – van een plan daartoe al helemaal niet – en dat 90% van de Palestijnen uit eigen beweging gevlucht is. Terwijl de Joden hen juist vaak hebben opgeroepen om dat niet te doen.
De systematische verdrijving die er wel was, namelijk door de Arabieren, wordt niet genoemd. Want die verdrijving was er juist wel: de Joden zijn in 1948 voor 100% etnisch gezuiverd uit de Gazastrook, de Westbank en Oost-Jeruzalem.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Er is inderdaad nooit opdracht gegeven tot verdrijving. Maar er was wel een “sfeer van verdrijving”. Door de gevechten sloegen veel Arabieren op de vlucht, dus er was wel een ‘transfer’. Het is lastig te bepalen in hoeveel gevallen Joodse Israëli’s hebben getracht hun Arabische buren te bewegen om juist niet te vluchten. Tekst wordt niet aangepast.
Geen reactie over het niet vermelden van de het grotere aantal Joodse vluchtelingen.
Commentaar Likoed: Ongehoord, de auteurs erkennen dat er geen “systematische verdrijving” heeft plaatsgevonden, maar handhaven die tekst toch.

 

Auteurs: Benny Morris geeft aan dat er geen officiële politieke impuls van de leiding van Haganah of IDF tot uitdrijving van de Arabische bevolking  geweest. Maar tegelijk geeft hij aan: er was - zeker vanaf april 1948 - een atmosphere of expulsion. De beknelde Joden vielen toen aan, en als gevolg daarvan vluchtten vele Arabieren. De uitkomst was dus toch een ‘transfer’. De uitvoering van Plan Dalet werd weliswaar niet van bovenaf verordonneerd, maar wel de facto door plaatselijke Haganah-commandanten in veel dorpen uitgevoerd. Daar kan men wel degelijk een zekere systematiek in zien. Zo’n systematische zuivering (in Lydda) wordt bv. beschreven in Ari Shavit, Mijn Beloofde Land (2013), vanaf p. 119. De systematiek achter de verdrijving van Palestijnse Arabieren staat beschreven in gezaghebbende handboeken, zie bv. William L. Cleveland, A History of the Modern Middle-East, p. 261.

Overigens wordt Plan Dalet in ons katern niet eens genoemd, laat staan dat we beweren dat er een bevel van bovenaf toe gegeven werd. Ook brengen wij de nogal omstreden titel van Pappé’s boek The Ethnic Cleansing of Palestine niet in beeld.

Daarentegen geven wij op de gewraakte bladzijde juist wél een uitvoerig citaat uit de Onafhankelijkheidsverklaring van Israël (bron 12), om zo licht te werpen op de motieven van Ben Goerion en de zionisten tot stichting van de Joodse staat. Dit past in de context van het hele hoofdstuk: de paragraaf die voorafgaat aan de hier besproken tekstfragmenten behandelt de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.

Morris beweert dat 50 % van de Arabieren bleef, maar dit wordt door andere getallen weersproken. Officieel wordt een aantal van 710.000 vluchtelingen geaccepteerd. Dat was circa 85 % van de Arabische bevolking van het mandaatgebied. Die kwamen deels terecht in Gaza en de Westoever (voorheen delen van het Mandaatgebied) maar dat maakte voor wat betreft hun feitelijke lot weinig verschil met de Palestijnen die uitweken naar Libanon of Syrië. In Israël bleven ca. 160.000 Arabieren wonen.

Het is tekenend dat door Benny Morris het woord ‘refugees’ uitdrukkelijk tussen aanhalingstekens wordt geplaatst. Dat deze mensen van huis en haard werden verdreven en dat terugkeer naar hun haardsteden door Israël werd geblokkeerd (al of niet uit begrijpelijke angst voor een vijfde colonne in de prille Joodse staat) staat echter buiten kijf.

In de jaren negentig  - ten tijde van het Oslo-vredesproces – hebben de bevindingen van Ilan Pappé, Avi Shlaim en Benny Morris eventjes hun weg gevonden naar enkele nieuwe schoolmethodes in Israël (zie daarover o.a. Lander Corluy, De strijd om het geheugen van Israël). Dat duurde maar kort, door de verharding van het internationale politieke klimaat na de moord op Rabin en sinds de opkomst van Hamas .

Niet alleen het selectieve geheugen van Israëli’s wordt in onze tekst gesignaleerd, ook dat van Palestijnen die blijven spreken van El Nakhba en zichzelf zien als machteloze slachtoffers. Voor beide zijn tal van aanwijzingen te geven, niet in het minst bij in onze ogen onverdachte auteurs als David Grossman en Amos Oz. Ook het boek van Ari Shavit (Mijn Beloofde Land) geeft tal van voorbeelden.

In ons katern worden de namen van deze New Historians niet genoemd, laat staan dat wij hun onderzoeksresultaten klakkeloos zouden overnemen. Maar om de Oxford-hoogleraar Ilan Pappé zomaar weg te zetten als ‘extreme communist’ getuigt niet van goede smaak. Hem werd het werken aan de universiteit van Haïfa vrijwel onmogelijk gemaakt, reden voor hem om te emigreren naar Engeland. De kwalificatie ‘extreme communist’ lijkt letterlijk overgeschreven van de Amerikaanse website Committee for Accuracy in Middle East Reporting in America.

De uitspraak  van Pappé: "I am not as interested in what happened as in how people see what's happened. wordt vaak geciteerd, maar is volgens zijn medestanders evenzo vaak gemisinterpreteerd. Het is een uit het verband gerukt fragment uit zijn (tamelijk onverkwikkelijke) discussie met Benny Morris.

Dit zei hij letterlijkThe nature of the discussion is that: Morris says that even if someone says he wants to expulse you from your house and you run away because you know that it is what he wants to do, this is not called expulsion. I regard it as expulsion. … So these are the kinds of disagreement. I claim that they also stem from ideological positions, not just from facts.". Vrij vertaald: we kunnen feiten vaststellen. Maar hetzelfde feit kan van de één het etiket ‘verdrijving’ krijgen en van de ander niet, afhankelijk van de standplaatsgebondenheid van degene die het zegt. Dit gegeven is voor de meeste historici gewoon een open deur, en  het geeft de geschiedenisdocent zelfs aanleiding om met de leerlingen te theoretiseren over de filosofie van de geschiedenis.

Uiteraard zijn wij op de hoogte van de discussie rond de New Historians en de publicaties van Karsch en anderen. Pappé c.s. deden onderzoek in archieven en durfden het geijkte beeld van 1948 – ‘David tegen Goliath’ – te nuanceren. Tot dan toe was ‘1948’ binnen Israël geen thema voor onbevangen historisch onderzoek. De publicatie van de onderzoeksresultaten kwam hun op felle kritiek te staan. In deze discussie kiezen wij geen partij. Wij vermelden in het katern slechts dat de officiële Israëlische lezing – volgens welke veel Arabieren gehoor gaven aan radio-oproepen van Arabische leiders om tijdelijk hun huizen te verlaten – wordt weersproken door later onderzoek; met slechts geringe implicaties voor het geschiedenisonderwijs in Israël.

Het is moeilijk vast te stellen hoeveel procent van de Palestijnen  in 1948 ‘vrijwillig’, dan wel gedwongen de wijk nam. Even lastig is het te bepalen in hoeveel gevallen Joodse Israëli’s hebben getracht hun Arabische buren te bewegen om juist niet te vluchten.

 

 

Jan Tervoort

Mijn eerste probleem met deze zin binnen de context is het woord ‘durfden’. Dit veronderstelt dat de ‘nieuwe historici’ een angst voor maatschappelijke represailles die voor Israël uitzonderlijk is, zouden hebben overwonnen om nieuwe feiten aan het licht te brengen. Dit is pertinent onjuist. Er valt veel kritiek op de staat Israël te leveren maar gebrek aan intellectuele en journalistieke vrijheid, ook in de jaren 50, 60 en 70, valt daar zeker niet onder. De voornaamste reden dat pas tientallen jaren later door de ‘nieuwe historici’, nieuwe feiten die het officiële zionistische discours in twijfel trokken,  aan het licht gebracht werden, was het feit er na 30 jaar officiële staatsgeheimhouding, er een hele stroom overheidsdocumenten openbaar gemaakt werden voor onderzoek. Dan wat betreft de discussie over de systematische verdrijving van Palestijnse Arabieren. Daar is inmiddels genoeg historisch bewijs voor hoewel over de aard en omvang tot het einde der tijden discussies gevoerd zullen worden. Het tweede deel van de zin legt wel te veel nadruk op hoe systematisch en derhalve van bovenaf georganiseerd de verdrijving daadwerkelijk was. Beter is dus: ‘Tientallen jaren later echter brachten Israëlische historici op basis van nieuw openbaar geworden overheidsdocumenten aan het licht dat een groot deel van de Palestijnse Arabieren systematisch van huis en haard werden verdreven’. Het belangrijkste motief dat er systematiek en ‘intentie’ van de Yishuv achter de verdrijvingen zat, is natuurlijk dat met de extra 700.000 Palestijnse Arabieren binnen haar toekomstige grenzen, de toekomstige Israëlische staat in feite onmogelijk was. Hoewel de bronnen niet eenduidig direct  de verdrijving als ‘regeringsbeleid’ aantonen is de onderliggende logica voldoende om in samenhang met de bronnen de systematische verdrijving van een groot deel van de Palestijns Arabische bevolking als historisch feit aan te nemen. De vele verdwenen Arabische dorpen direct na de verdrijving spreekt in dat geval ook boekdelen. Het overigens interessante werk van Karsh Palestine Betrayed doet aan de bovenstaande feiten weinig af, los van dat het zich terecht focust op het totale onvermogen van het Palestijnse leiderschap/elite en de omringende Arabische staten en hun verantwoordelijkheid voor de vluchtenlingencrisis en de desintegratie van de Palestijnse samenleving in 1947/48. Ook zij hadden een belangrijk aandeel in het ontstaan van de Nakba, iets dat vaak over het hoofd gezien wordt. Elders in de tekst gaan de auteurs hier overigens verschillende malen op in hoewel niet direct wijzend op de Nakba. Overigens vind ik als historicus dat de verdrijving van honderdduizenden Palestijnse Arabieren in 1947-1948, hoe verschrikkelijk ook, te vaak op zichzelf staand en anachronistisch wordt gebruikt. In dezelfde periode werden vele miljoenen etnische minderheden in Europa ‘gezuiverd’ om niet te spreken van de tientallen miljoenen Hindoes en Moslims in respectievelijk Pakistan en India in dezelfde jaren.

 

 

15)  “De publicaties van deze groep ‘nieuwe historici’ drongen echter niet door tot de Israëlische schoolboeken. Die hielden vast aan het heldhaftige verhaal, de mythe.” (bladzijde 27)

 

Likoed: Zie hierboven, waarom zouden de Israëlische schoolboeken plaats moeten bieden aan de weerlegde hypothese van ‘systematische verdrijving’, die op wetenschapsfraude is gestoeld? Overigens is Israël een land waar over alles kan en mag worden gediscussieerd, van de legalisering van softdrugs tot de huurprijzen in Tel Aviv. Natuurlijk wordt er ook gediscussieerd over de eigen geschiedenis. Dat blijkt nota bene uit de vele kritische citaten die ThiemeMeulenhoff plaatst van Amos Oz.
Wat opvallend ontbreekt in het kader van evenwichtigheid, is een opmerking over de Arabische schoolboeken: die 
ontkennen nog steeds de Holocaust enhet bestaansrecht van Israël.
Wat ook buiten beeld blijft, is de Jodenhaat – en het aanmoedigen tot geweld tegen Joden – waarmee jonge Palestijnen door hun leiders worden geïndoctrineerd, bijvoorbeeld:

·       Palestijns-islamitische les: Joden slachten mensen voor de duivel.

·       Palestijnse televisie: Joden zijn kwaadaardige schepsels.

·       Onze jongeren moeten sterven als martelaren.

·       Hamas geeft kleuters een ideaal: de Joden uitroeien.

Reactie ThiemeMeulenhoff: Zie punt 14. Tekst wordt niet aangepast.
Geen reactie over waarom de agressievere invalshoek uit de Arabische schoolboeken ontbreekt.

 

Auteurs: zie punt 14

 

 

Jan Tervoort

Deze vermelding lijkt mij binnen de context totaal overbodig en ik begrijp  niet waarom de auteurs hier op in gaan. Ten eerste verwijzen ze in de volgende zin naar ‘de David-Goliath mythe’, terwijl in de tekst ervoor de ‘nieuwe historici’ genoemd worden met betrekking tot de verdrijving, wat enigszins verwarrend is. Maar waarom wordt hier in de lopende beschrijvende geschiedenis een punt van gemaakt? Ik zou zeggen laat de discussie van wat er van recent ‘controversieel’ onderzoek in schoolboeken terecht komt buiten de tekst. Het is inderdaad waar, voor zo ver ik dat waar kan nemen natuurlijk, dat in Israël na wat voorzichtige aanpassingen nog of weer voornamelijk de officiële  zionistische versie van het conflict wordt onderwezen maar dit soort veranderingsprocessen nemen heel veel tijd in beslag binnen nationale staten en Israël is relatief jong. Hoe lang duurde het in Nederland vanaf 1813 dat de massamoorden van Jan Pieterzoon Coen in de Nederlandse schoolboeken vermeld werden voor wat ze waren? Bovendien is het Israëlisch-Palestijns conflict nog gaande met bijbehorende culturele en maatschappelijke polarisatie aan beide zijden. Moet Israël dan als enige land veroordeeld worden voor de eenzijdige geschiedenis die zij haar jeugd inprent? In dat geval mag er zoals Likoed aangeeft ook wel vermeld worden hoe de Palestijnse autoriteit of omringende Arabische landen  het conflict aan haar jeugd voorspiegelt en daar komt Israël met betrekking tot historische feiten en het demoniseren van de ‘Ander’ beslist beter uit de verf.

 

Ook de volgende passage dient geen enkel doel wat dat betreft: ‘De meeste Israëli’s trekken de mythe niet in twijfel. Zij hebben een selectief geheugen: zij willen niet horen van feiten die een negatief licht werpen op het gedrag van de Joden. De ‘meeste mensen’ van maakt niet uit welk land hebben een selectief geheugen en geloven in de mythes die hun nationale overheden voor hun creëren. Dus wat is de toegevoegde waarde van deze zin? Ja ook de meeste Arabieren hebben een selectief geheugen. Overigens wil ik hier bij vermelden als kenner van Israël  dat de ‘meeste Israëli’s’ en ik heb ze in alle soorten en maten ontmoet, over het algemeen zeer pragmatische mensen zijn die door het algemene hoge opleidingsniveau in Israël zeer goed in staat zijn om de mythes die hun eigen overheid ze voorschotelt te zien voor wat ze zijn. En velen doen dat ook. Wat je in Israël wel veel hebt is een bepaalde lethargie ten opzichte van de waarheden en onwaarheden van haar geschiedenis die wordt veroorzaakt door de uitzichtloosheid van het zich voortslepende conflict.

 

Mijn advies is dus om de hele passage vanaf de schoolboeken tot en met  het selectieve geheugen van Israëli’s en Arabieren te schrappen of evenwichtiger en duidelijker te formuleren.

 

16) “In tegenstelling tot de zionisten beschikten de Palestijnse Arabieren niet over een geregelde strijdmacht.” (bladzijde 27)

 

Likoed: Beide partijen bestonden uit losse strijdgroepen, met nauwelijks zwaar materiaal. En anders dan de Joden kregen de Palestijnen steun van soldaten van reguliere legers uit onder meer Syrië, Egypte, Jordanië en Irak.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Israël ontving zwaar materieel uit Tsjecho-Slowakije. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Dit klopt net zo min, het is een anachronisme: Israël kreeg het zware materiaal niet tijdens de gevechten met de Palestijnse Arabieren, maar pas toen de Arabische landen hadden aangevallen.

 

Auteurs: De Haganah in 1947-1948 kan men echt wel als een geregelde strijdmacht’ betitelen.  Zij had meer dan 30.000 strijders en bezat geheime wapendepots. Sloeg Arabische invasies terug in gecoördineerde acties. Ontving zwaar materieel uit Tsjechoslowakije. De Palestijnse Arabieren daarentegen hadden geen eigen geregelde strijdmacht, maar waren afhankelijk van successen van de legers van Egypte, Irak, Syrië, Libanon en Transjordanië.

 

Jan Tervoort

Dit is historisch juist, geen punt van discussie (zie standaardwerk Morris 1948)

 

 

17) “Wel kwamen de Arabische landen met hun legers de Palestijnse Arabieren te hulp.” (bladzijde 27)

 

 

Likoed: Dit suggereert dat de oorlog, het geweld en de agressie niet door de Arabieren geïnitieerd is. Dat was het historisch gezien wel. In 1947 was het delingsplan van de Verenigde Naties door zowel de Palestijnse leiders als alle Arabische landen afgewezen. De Joden accepteerden dit vredesplan dat voorzag in een Joodse en een Arabische Staat juist wel. De Arabische landen kondigden vooraf (al een half jaar eerder) aan dat een Joodse staat niet geaccepteerd zou worden en dat die na uitroeping direct zou worden aangevallen – wat dus ook geschiedde.
Met het te hulp komen van de Palestijnen had het niets te maken, het was al lang van te voren gepland en in gang gezet. De Arabische landen wilden de Palestijnen helemaal niet helpen, en al helemaal geen staat geven. Egypte en Jordanië hielden de veroverde gebieden (Gaza en Westbank) dan ook voor zichzelf, in plaats van de daar door de VN voorziene Palestijns-Arabische staat toe te staan. De Palestijnse vluchtelingen werden opgesloten in kampen.
Er wordt al helemaal niet vermeld dat deze aanval bedoeld was als een nieuwe Holocaust, slechts drie jaar na de vorige. De leider van de Arabische landen, de secretaris-generaal van de Arabische Liga Abdul Rahman Hassan Azzam, zei in een interview: “Het zal een oorlog zijn van uitroeiing en van immense slachting, waarover gesproken zal worden zoals over de Mongoolse bloedbaden en de kruistochten.”
Reactie ThiemeMeulenhoff: De inval van de Arabische landen in 1948 werd wel degelijk gemotiveerd als hulp aan de Arabische Palestijnen, welke andere motieven er daarnaast ook hebben gespeeld. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Arabische propagandabeweringen zijn blijkbaar leidend boven de historische feiten.

 

Auteurs: Met de zinnen: ‘Wel kwamen de Arabische landen de Palestijnse Arabieren te hulp. Onmiddellijk na 15 mei gingen die in de aanval’ wordt door ons louter een feitelijkheid genoemd, zonder enige suggestie. Men zou zelfs kunnen beweren dat de geciteerde zinnen eerder de Arabieren als agressor aanwijzen dan Israël; het was agressie waartegen de Joden zich wel moesten verdedigen.

De inval van de Arabische landen in 1948 werd overigens wel degelijk gemotiveerd als hulp aan de Arabische Palestijnen, welke andere motieven er daarnaast ook hebben gespeeld.

Dat de zionisten het Verdelingsplan 1947 (als compromis) slikten en de Arabieren het afwezen, wordt door ons uitdrukkelijk vermeld op p. 26.

De heer Struick van Bemmelen lijkt te suggereren dat wij de noodzaak van een Joodse thuisbasis miskennen. Het tegendeel blijkt echter uit het gehele hoofdstuk 2. Hierin wordt – n.a.v. de geschiedenis van het zionisme - gerefereerd aan het eeuwenoude antisemitisme, dat door ons betiteld wordt als ‘een van de hardnekkigste vormen van racisme uit de geschiedenis.’ De Holocaust wordt treffend uitgebeeld o.a.  in een citaat van Amos Oz: de hele schoolklas van zijn vader wordt afgeslacht. Op blz. 31 wordt respectvol verteld hoe de Holocaust voortleeft in de collectieve herinnering van Israël, o.a. door te refereren aan Yad Vashem en de jaarlijkse Holocaust Remembrance Day. In hoofdstuk 3 wordt voorts wel degelijk verband gelegd tussen fervent antisemitisme bij de Arabieren en de wens van Nasser c.s. om de Joden de zee in te drijven. Zie bv. de spotprent op p. 34.

Overigens wordt over de strekking van de beruchte, vaak geciteerde  uitspraak van Azzam (‘Het zal een oorlog zijn … ‘) verschillend gedacht. Zie bijvoorbeeld de controverse hierover tussen Efraim Karsh en Tom Segev:  https://en.wikipedia.org/wiki/Azzam_Pasha_quotation

 

 

Jan Tervoort

Over ‘hulp’ kan gediscussieerd worden maar in de lopende tekst is dit niet storend.

 

18) “Begin 1949 was er een staakt-het-vuren. De overeengekomen wapenstilstandslijnen werden internationaal erkend als de grenzen van de nieuwe staat.” (bladzijde 27)

 

Likoed: De wapenstilstandslijnen zijn nooit internationaal erkend als grenzen. Als voorbeeld vermelden wij de tekst uit de Wapenstilstandsovereenkomst tussen Jordanië en Israël uit 1949 (voor de wapenstilstanden met de andere Arabische landen geldt hetzelfde). Die bepaalt uitdrukkelijk dat het slechts gaat om een wapenstilstandslijn, die niet:
“mag worden uitgelegd als het aantasten van rechten, in welke zin dan ook, van een ultieme politieke overeenkomst tussen de partijen. De wapenstilstand-scheidslijnen … worden overeengekomen door de partijen, zonder van invloed te zullen zijn op toekomstige territoriale overeenkomsten of grenslijnen of claims van beide partijen die daarop betrekking hebben.”
Jordanië en de andere Arabische staten hebben er destijds juist bewust vanaf gezien om die wapenstilstandslijnen als grenzen te erkennen. Dit vanwege hun onwil om de legitimiteit van Israël te accepteren. Sindsdien hebben pas twee Arabische landen vrede gesloten met Israël: Jordanië en Egypte.
Overigens staat verderop in het boek dat Israël in 1967 (nog steeds) geen erkende grenzen had.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De grenzen werden erkend als de facto grenzen. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Het zijn dus geen juridisch internationaal erkende grenzen, dat is juist ons punt. Israël werd erkend, de grenzen niet.

 

 

Auteurs: De wapenstilstandslijnen werden in en kort na 1949 wel degelijk internationaal breed erkend als de facto grenzen, zij het uiteraard niet door de Arabische staten (zie o.a. Ruud Hoff, Het Midden-Oosten, een politieke geschiedenis, p. 80). Israël werd toegelaten tot de VN, een duidelijke blijk van erkenning door de toenmalige wereldopinie.

Dat de Arabische wereld uiterst vijandig bleef staan tegenover de staat Israël - en die niet erkende - wordt door ons in het direct volgende hoofdstuk 3 genoegzaam benadrukt.

 

 

Jan Tervoort

Formeel heeft Likoed Nederland hier gelijk door te stellen dat zowel Israël, als Egypte, Syrië, Jordanië en Libanon de overeengekomen wapenstilstandslijnen uiteraard niet als grenzen erkenden. Ook erkenden vrijwel alle Arabische landen de staat Israël niet. Beter is dus: ‘De overeengekomen wapenstilstandsgrenzen, de zogenaamde ‘groene lijn’, werd in de loop van de tijd door de Verenigde Naties en voornamelijk de Westerse internationale gemeenschap als de facto grenzen van de nieuwe staat Israël geïnterpreteerd.

 

19) De oorlog had een vluchtelingenstroom van 500.000 tot 750.000 Palestijnse Arabieren op gang gebracht. ….. Van terugkeer naar hun steden en dorpen was geen sprake. Israël weigerde dit toe te staan.” (bladzijde 27)

 

Likoed: Dat er over de terugkeer van de vluchtelingen niet eens onderhandeld werd, kwam door de Arabische weigering Israël te erkennen. Het Arabisch Hoger Commando (de Palestijnse leiding) verklaarde: “Het is ondenkbaar dat de vluchtelingen terug gaan. Het zou een eerste stap zijn in de richting van Arabische erkenning van de staat van Israël.”
Om diezelfde reden stemden de Arabische landen tegen VN resolutie 194, die de terugkeer van de vluchtelingen wilde regelen.
Merkwaardig genoeg wordt het veel grotere aantal Joodse vluchtelingen (ongeveer 900.000) uit de Arabische landen in het boek van ThiemeMeulenhoff niet vermeld. Die werden wel geïntegreerd in hun nieuwe thuisland Israël, nadat ze vaak al hun bezittingen in Irak, Egypte, Algerije, Marokko et cetera hadden moeten achterlaten.
Net als trouwens de tien maal zo grote vluchtelingenstromen uit de gelijktijdige creatie van Pakistan – circa zeven miljoen hindoestaanse- en zeven miljoen islamitische vluchtelingen.
Reactie ThiemeMeulenhoff: 1. Het boek zegt wel dat de Arabische landen Israël niet erkenden. 2. Het boek vermeldt dat er grote aantallen Sefardische Joden na 1949 uit de Arabische landen naar Israël kwamen. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: 1. Er wordt geen verband gelegd met de vluchtelingen, terwijl er wel staat dat dit de schuld van Israël zou zijn. 2. Dat staat veel verder in het boek, over hoe ze gediscrimineerd zouden worden in Israël, zonder te vermelden dat velen moesten vluchten uit het Arabische land van herkomst.

 

 

Auteurs: Het is vreemd dat de heer Struick van Bemmelen geen aandacht besteedt aan de opvolgende alinea (op p. 27) waarin staat geschreven: ‘De leiders van de Arabische landen deden weinig moeite om de vluchtelingen een nieuw bestaan te verschaffen. Ze zagen in de ontheemden een welkom propagandawapen om de wereld duidelijk te maken hoe onmenselijk de staat Israël was. Geen enkel Arabisch land erkende de staat Israël of was bereid tot een vredesakkoord. De kiem voor toekomstig geweld was gelegd’.

Dat er grote aantallen Sefardische Joden na 1949 uit de Arabische landen naar Israël kwamen, wordt door ons vermeld (zie p. 32), zoals de komst van 260.000 vluchtelingen uit Marokko.

Dat er in dezelfde jaren sprake was van nog veel grotere vluchtelingenstromen elders (niet alleen tussen India en Pakistan, ook o.a. de Duitse Heimatvertriebene)staat buiten kijf, maar het hoeft niet per se vermeld te worden in een katern over het Midden-Oosten

 

 

 

Jan Tervoort

Dit is correct. Dat Likoed Nederland hier weer over de Arabische staten begint is tekenend. Wat in het Westen overigens weinig aandacht heeft gekregen maar wel veelzeggend is op dit punt,  is dat ook verschillende verplaatste Arabische gemeenschappen binnen de groen lijn na de wapenstilstand niet naar hun dorpen mochten terugkeren omdat de Israëlische regering geen precedent wilde scheppen. Tot de dag van vandaag vechten de gemeenschappen van Bir’m en Ikrit (de bekendste) om naar hun oude dorpen terug te keren, hoewel die door het Israëlische leger met de grond gelijkt zijn gemaakt in de jaren 50 om een einde aan de discussie te maken.

 

20) “De Balfourverklaring ging regelrecht in tegen alle afspraken die de Britten eerder gemaakt hadden.” (bladzijde 29)

 

Likoed: Dat het land aan zowel de Arabieren als de Joden beloofd zou zijn, is een oude Arabische aantijging.
Deze is echter door de Britten in een verklaring van honderd jaar terug als onwaar van de hand gewezen:
“Deze voorstelling berust voornamelijk op een brief van 24 oktober 1915 van Sir Henry McMahon, toen de Hoge Commissaris van Zijne Majesteit in Egypte, aan de Sjarif van Mekka, nu koning Hoessein van het Koninkrijk van de Hijaz [nu Saoedi-Arabië]. Die brief is geciteerd als zou die aan de Sjarif van Mekka beloven om de door hem voorgestelde gebieden de onafhankelijkheid van de Arabieren te erkennen en te steunen. Maar deze belofte werd gegeven met een voorbehoud, dat in dezelfde brief gemaakt is, dat daarbuiten vallen de delen van Syrië ten westen van het district Damascus.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De afspraak werd verschillend geïnterpreteerd. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: De Balfourverklaring stond - zoals bekend - op gespannen voet met het aan  sjarief Hoessein van Mekka (in de correspondentie met MacMahon)  voorgespiegelde Arabische onafhankelijkheid.  Natuurlijk was die afspraak vaag en aan voorwaarden verbonden, en werd die door beide partijen later verschillend geïnterpreteerd (met name vanwege de vertalingsproblemen van het woord vilayet, om de districten Aleppo, Hama, Homs en Damascus mee aan te duiden). Maar Hoessein kon eruit opmaken dat de Britten een groot Arabisch Rijk zouden sanctioneren waarvan ook Palestina deel zou uitmaken.

De Balfourverklaring stond ook op gespannen voet met de Sykes-Picot-overeenkomst, waarin immers voor Palestina een internationaal beheer was voorgesteld.

 

 

Jan Tervoort

Zie punt 8. De Balfour Declaratie ging niet ‘regelrecht’ tegen de andere beloftes in. In de reactie van de auteurs op Likoed Nederland gebruikt men ook de term ‘op gespannen voet staan met’ die inderdaad beter is.

 

21) “Deze Arabische Israëli’s kregen kiesrecht en andere burgerrechten, maar zij werden uitgesloten van militaire dienst en dus ook van de vele voorzieningen voor veteranen.” (bladzijde 32)

 

Likoed: Arabieren kunnen wel in militaire dienst in Israël, en ook in vervangende dienstplicht, alleen is het voor hen geen plicht maar een recht. Druzen, een niet-Joodse Arabische sprekende minderheid in Israël, dienen massaal in het Israëlische leger, vaak in zeer zware elite-eenheden. Procentueel gezien zitten er zelfs meer Druzen in het Israëlische leger dan Joden.
De bewering is daarmee grove nonsens.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Klopt, de tekst wordt aangepast. Maar wij vinden het nog steeds discriminatie dat als zij niet in dienst gaan, zij niet de voordelen van veteranen kunnen krijgen.
Commentaar Likoed: Er is juist positieve discriminatie waarbij rekening wordt gehouden bij mogelijke gevoeligheden bij Arabieren. Echter, voor de auteurs blijft het ‘damned if you do, damned if you don’t’: zij blijven verontwaardigd dat niet-veteranen niet de voordelen krijgen die veteranen krijgen. Dit is echter in Nederland niet anders.

 

Auteurs: Geen grove nonsens; hooguit slordig geschreven. Er had beter kunnen staan: voor hen gold /geldt de dienstplicht niet (zij mogen wel in het leger). Wij zullen dit bij de eerstvolgende mogelijkheid aanpassen. Een feit blijft: zonder in het leger te hebben gediend, blijven deuren tot een aantal banen gesloten, en kunnen werkgevers anti-discriminatiewetgeving omzeilen.

 

 

Jan Tervoort

Deze stelling is onjuist. Arabische Israëliërs zijn niet ‘dienstplichtig’. Dat dit uit ‘positieve discriminatie’ gedaan wordt waarbij de Israëlische staat rekening zou houden met de ‘gevoeligheden’ van Arabieren zoals Likoed aangeeft is natuurlijk lachwekkend. Israëlische Arabieren werden aanvankelijk als een vijfde colonne beschouwd en daarom zoveel als mogelijk buiten het leger gehouden, iets dat in een militaire staat als Israël inderdaad tot een officieuze (niet wettelijke) vorm van discriminatie leidt.

 

 

22) “Ook konden ze geen land kopen.” (over de Arabieren, bladzijde 32)

 

Likoed: Het is voor Joden en Arabieren beiden moeilijk – maar niet verboden – om land te kopen, omdat het meeste land staatsgrond is.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Klopt, de tekst zal gewijzigd worden. De auteurs hebben op een website een andere tekst gevonden die Israelische discriminatie suggereert, die zal overgenomen worden in het boek.
Commentaar Likoed: Het is afschuwelijk dat in een schoolboek aan Israël coute que coute discriminatie verweten moet worden. Terwijl nota bene 71 procent van de Arabieren Israël een goede plek om te wonen noemt en 60 procent Israël als ‘vaderland’ omschreef. Dat is een veel hoger percentage dan dat we zien bij de Marokkanen in Nederland, daarvan voelt slechts 48 procent zich Nederlander. Beter zouden de auteurs kunnen vermelden dat Israël juist het enige land in de verre omtrek is dat de rechten van minderheden erkent en die ook beschermt, zoals die van de christenen, Bahai, Druzen, vrouwen, homo’s en atheïsten.

 

Auteurs: Ook hier geldt: geen nonsens, hooguit wat te grof geformuleerd. Er had beter kunnen staan: ‘Het is moeilijker voor Israëlische Arabieren om land te kopen. De overheid investeert minder geld in de ontwikkeling van Arabische dorpen en steden dan van joodse (beide gemeenschappen leven nogal gescheiden van elkaar), waardoor de voorzieningen in deze plaatsen slechter zijn dan in overwegend joodse steden. De antidiscriminatiewetten worden in de praktijk vaak geschonden en het is moeilijk ze af te dwingen, al wordt af en toe met succes tegen discriminatie geprocedeerd. Israëlische Arabieren voelen zich vaak tweede-rangsburgers.’ Wij zullen dit bij de eerstvolgende mogelijkheid aanpassen.

Dit is een citaat van de site IPI (www.israël-palestina.info) die wij op dit vlak voldoende betrouwbaar achten.

 

 

Jan Tervoort

Dit is inderdaad te stellig geformuleerd.  De voorgestelde aanpassing is een juiste voorstelling van zaken: ‘Het is moeilijker voor Israëlische Arabieren om land te kopen. De overheid investeert minder geld in de ontwikkeling van Arabische dorpen en steden dan van joodse (beide gemeenschappen leven nogal gescheiden van elkaar), waardoor de voorzieningen in deze plaatsen slechter zijn dan in overwegend joodse steden. De antidiscriminatiewetten worden in de praktijk vaak geschonden en het is moeilijk ze af te dwingen, al wordt af en toe met succes tegen discriminatie geprocedeerd. Israëlische Arabieren voelen zich vaak tweede-rangsburgers.’

 

23) “Hij geloofde niet in vrede met de Arabieren en nam ook geen initiatief in die richting. Tussen 1949 en 1956 telde Israël twaalfduizend Arabische aanslagen en aanvallen met veel doden tot gevolg.” (Over Ben Goerion, bladzijde 32).

 

 

Likoed: Draai de eerste en tweede zin om en het wordt nog meer duidelijk hoe onzinnig de eerste zin is. Er is zoiets als oorzaak en gevolg. Ben Goerion had juist voor 1948 alles geprobeerd om oorlog te vermijden.
Al jaren daarvoor hadden Joodse leiders waaronder Ben Goerion voortdurend geprobeerd om oorlog te voorkomen. Echter, als voorbeeld, de secretaris-generaal van de Arabische Liga Azzam Pasja zei op 16 september 1947 tegen Joodse leiders die oorlog wilden voorkomen:
“De Arabische wereld is niet in de stemming voor een compromis. Het is waarschijnlijk dat jullie plan rationeel en logisch is, maar het lot van de naties wordt niet besloten door rationele logica. Naties geven nooit toe; ze vechten. Jullie zullen niets met vreedzame middelen of een compromis bereiken. Jullie kunnen misschien iets krijgen, maar alleen door geweld.”
Reactie ThiemeMeulenhoff: Het kwam inderdaad door de houding van de Arabische landen, maar die vinden wij voldoende geschetst elders in heb boek. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: Ben Goerion stond als premier en als minister van Defensie uiteraard pal voor zijn schepping. De staat Israël werd door geen van de Arabische buren erkend. Tegenover de agressieve taal van o.a. Nasser en de talloze acties van fedayeen – bloedige aanslagen en aanvallen waarover wij schrijven – kon noch wilde hij uiteraard zwak lijken. Ben Goerion verwachtte niet dat vrede met de buren mogelijk zou zijn, ondernam dus als premier geen poging in die richting. Een sterke defensie en de wil om af te rekenen met fedayeen stonden voorop. Het is dus in het geheel niet onzinnig te stellen: ‘Hij geloofde niet in vrede en nam geen initiatief in die richting’. De context wordt voldoende geschetst.

De agressieve taal van Azzam is bekend (zie punt 17); hij was na 1952 niet langer voorzitter van de Arabische Liga (de vraag is wat de Liga voorstelde). Van de roekeloze populist Nasser had Ben Goerion heel wat meer te vrezen.

 

 

Jan Tervoort

Letterlijk gezien buiten de context is deze stelling onjuist. Ben Goerion was op het punt van ‘vrede met de Arabieren’ een revisionist c.q. hardliner. Hij geloofde wel dat vrede met de Arabieren uiteindelijk mogelijk zou zijn, alleen op voorwaarde dat Israël militair zo sterk zou zijn dat de Arabieren geen andere keus zouden hebben. In de lopende tekst en de aangegeven tijdsperiode klopt deze uitspraak wel.

 

24) “Kort na de Zesdaagse Oorlog nam de Veiligheidsresolutie 242 aan waarin de Israëli’s werden opgedragen om zich terug te trekken uit de nieuw veroverde gebieden.” (bladzijde 35)

 

ThiemeMeulenhoff meldt hier niet de andere helft van deze resolutie. Namelijk dat Israël recht heeft op veilige grenzen (die mogelijk afwijken van de bestandslijnen uit 1949) en dat er voordat er sprake is van een terugtrekking tot vrede met de Arabieren moet worden gekomen. Die stelden echter in 1967 in de Verklaring van Khartoem unaniem nooit vrede met Israël te willen, daar nooit over te willen onderhandelen en Israël nooit te zullen erkennen.
Ondanks dat Israël zich uit 93% van het veroverde gebied heeft terug getrokken, hebben tot op heden hebben slechts twee Arabische landen vrede gesloten met Israël.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Dat Israël erkend zou moeten worden staat elders in het boek. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: In tegenstelling tot wat de heer Struick van Bemmelen hier beweert, citeren wij op p. 35 wel degelijk resolutie 242, inclusief het recht op veilige en erkende grenzen: Zie bron 7.

Ook de ‘drie nee’s’ van de conferentie van Khartoum komen in de tekst voor: ‘De Arabische landen lieten echter weten dat zij geen onderhandelingen met Israël wilden, geen vrede en geen erkenning van deze staat.’

 

 

Jan Tervoort

Ondergetekende begrijpt niet waarom Likoed van deze zin een punt maakt. Zoals de auteurs in hun reactie weergeven wordt de context van resolutie 242 duidelijk geschetst in de lopende tekst en ondersteund door een bron.

 

Er is echter wel een ander punt van kritiek in samenhang met bron 7 die van belang is voor de latere geschiedenis van het conflict na de Oslo akkoorden. Er staat in de tekst dat Israël werd opgeroepen zich terug te trekken uit ‘de’ nieuw veroverde gebieden. Zoals in bron 7 te zien is, ontbreekt in de vertaling van de Engelse versie van resolutie 242 het lidwoord ‘de’. In de Franse versie van resolutie staat het lidwoord ‘de’ wel vermeldt. Over de juiste interpretatie van resolutie 242 is dus veel discussie. Werd Israël opgeroepen om alle veroverde gebieden in ruil voor vrede en erkenning terug te geven of bleef er ruimte voor onderhandeling ook gelet op het feit dat de groene lijn geen internationaal erkende permanente grenzen waren? Ik begrijp dat al deze materie in de lopende tekst moeilijk in te passen is maar strikt genomen is de versie van resolutie 242 van de auteurs in de lopende tekst in tegenspraak met bron 7.

 

25) “In Israël veranderde de stemming langzaam. Bij veel inwoners gingen religieuze motieven een grotere rol spelen.” (over de jaren zeventig, bladzijde 36)

 

Likoed: De religieuze joden vormden toen een heel kleine minderheid, net als nu nog trouwens (circa 15%, minder dan in Nederland).
Reactie ThiemeMeulenhoff: De nadruk op de heiligheid van het Beloofde Land – met aan de Bijbel ontleende argumenten – wordt als beletsel voor duurzame vrede tussen Israëliërs en Palestijnen gezien. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Bij de Palestijnen wordt dit niet vermeld. Hamas, IS enz. stellen zich op het standpunt dat niet-moslims geen bestuur mogen uitoefenen op gebied dat ooit islamitisch is geweest. Daarom moeten Israël, Spanje, Griekenland, Slovenië enz. ‘heroverd’ worden, zie bijvoorbeeld het Handvest van Hamas. Het nergens vermelden van de ideologische onmogelijkheid van moslimfundamentalisten om Israël te accepteren is juist het belangrijkste kritiekpunt op dit boek.

 

Auteurs: Deze zin is omzichtig geformuleerd. Er wordt niet gesproken van de 15 % orthodoxe Joden als machtsfactor. Wel over het gebruik van religieus-historische argumenten, waardoor bv Judea en Samaria worden beschreven als door God gegeven land. De nadruk op de heiligheid van het Beloofde Land – met aan de Bijbel ontleende argumenten – wordt als beletsel voor duurzame vrede tussen Israëliërs en Palestijnen gezien. Van toepassing is dit citaat uit een boek van van Madeleine Albright:

‘Wanneer diplomaten onderhandelen over een grens hebben ze normaal gesproken kaarten bij zich en compromisvoorstellen. In het Midden-Oosten is dat niet voldoende. Israëliërs en Palestijnen maken zich allen even druk over economische en veiligheidszaken. Ze voeren felle discussies over veiligheidsmaatregelen, toegang tot water, transportroutes en het gezag over het luchtruim. Voor een onderhandelaar zijn dit allemaal onderwerpen die (tenminste in principe) opgelost kunnen worden door een proces van geven en nemen. Het gesprek levert echter niets op als de partijen hun standpunt niet langer verdedigen op basis van menselijke wetten en precedenten, maar op basis van Gods beloften en bedoelingen.’ Madeleine Albright, De macht en de almacht. Over Amerika, God en de toestand in de wereld (Amsterdam 2006), p. 126.

 

 

 

Jan Tervoort

Persoonlijk vind ik deze zin an sich wat raar maar in de context van de hele alinea wordt voldoende duidelijk gemaakt wat hiermee bedoeld wordt.

 

 

26) “Behalve in radicaal-Arabische landen werd het bezoek alom met gejuich ontvangen.” (over de toenadering van Sadat, bladzijde 36)

 

Likoed: Er was geen enkel Arabisch land dat de toenadering van Sadat aan Israël toejuichte. Integendeel, Egypte werd hierom uit de Arabische Liga gestoten.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Er staat in het boek dat er Arabische landen tegen waren. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: dus volgens de auteurs zijn alle Arabische landen radicaal? Hoe moeten de scholieren dat raden?

 

Auteurs: Bedoeld wordt dat de stap van Sadat in de hele wereld werd bewonderd.

Dat Egypte uit de Arabische Liga werd gestoten staat in onze tekst te lezen (p.36, bovenaan kolom 2). Daar staat ook dat Sadat werd vermoord door radicale islamisten.

 

 

Jan Tervoort

Het probleem is hier het woord ‘radicaal-Arabische’ landen. Ik adviseer om in de volgende versie  de toevoeging ‘radicaal’ weg te laten daar in geen enkel Arabisch land de stap van Sadat werd toegejuicht. Een wat is ‘radicaal-Arabisch’ eigenlijk?

 

 

27) “Er kwam een nieuwe politieke beweging op: Likoed.” (over de jaren zeventig, bladzijde 36).

 

Likoed: De voorloper van de Likoed (Cheroet) en haar partijleider Menachem Begin zat sinds 1948 in het Israëlische parlement. ThiemeMeulenhoff zit er dus zo´n 30 jaar naast.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Likoed was toen een samengaan van diverse partijen. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Dat is als het beschrijven van de start van de ARP, CHU en KVP met de fusie tot CDA.

 

Auteurs: Dit is een onjuiste vaststelling van de heer Struick van Bemmelen. Likoed is zoals hij weet opgericht in 1973, en was toen een samengaan van diverse liberale partijen met Heroet. In 1977 was Likoed nog een betrekkelijk jonge partij.

 

 

Jan Tervoort

Met deze stelling in de lopende tekst is niets mis.

 

 

28) “Deze partij verdedigde de belangen van de Joodse kolonisten die zich op de Westelijke Jordaanoever vestigden. ….. In 1977 won Likoed de verkiezingen.” (over Likoed, bladzijde 36)

 

Likoed: Een anachronisme, want de nederzettingen waren in de tien jaar daarvoor juist opgericht onder socialistische regeringen.
Overigens won Likoed de verkiezingen in 1977 vanwege haar economische standpunten en omdat de socialisten de schuld kregen van de Jom Kippoer oorlog.
Met de ‘kolonisten’ heeft het weinig te maken, want die waren en zijn nauwelijks een machtsfactor in de Israëlische politiek. Bovendien zijn er Israëlische (religieuze) partijen die meer op hun hand zijn dan de Likoed.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Het klopt dat de nederzettingen gestart werden onder het bewind van de Arbeiderspartij. Tekst wordt echter niet aangepast.

 

 

Auteurs: Kolonisten vormden wel degelijk lange tijd een vaste kiezersgroep voor Likoed. Van Begin tot en met Netanyahu kwamen de leiders op voor de belangen van kolonisten op de Westbank. Natuurlijk is het waar dat de eerste kolonisten al kort na de Zesdaagse Oorlog neerstreken in Judea en Samarja, met gedoogsteun van de Arbeidspartij (vanwege het militaire belang). Nederzettingen vlakbij Arabische dorpen werden toen nog verboden. Maar toen Likoed in 1977 aan de macht kwam, genoten nederzettingen plots erkenning en kregen nieuwe nederzettingen financiële steun.

 

 

Jan Tervoort

Met deze stelling in de lopende tekst is niets mis.

 

29) “In 1964 was de PLO, Palestinian Liberation Organization, opgericht. …. Gewapende strijd zou moeten lijden tot een zelfstandige staat Palestina.” (bladzijde 37)

 

Likoed: Hier wordt niet uitgelegd dat met deze strijd de vernietiging van Israël bedoeld werd, aangezien de Westbank en Gaza in 1964 nog niet onder Israëlisch bestuur stonden. Deze twee gebieden waren voor 1967 volgens de VN en de Arabische Liga illegaal bezet door respectievelijk Jordanië en Egypte. Het PLO Handvest uit 1964 verklaarde uitdrukkelijk dat de Palestijnen niet uit waren op het gezag in de Westbank en Gaza, alleen op de vernietiging van Israël.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Dat kan de scholier wel afleiden uit de zin in het boek: “zuiveren van de zionistische aanwezigheid.” Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Waarom moet de scholier dat raden, in plaats van het gewoon te vermelden?

 

Auteurs: Op p. 37 wordt wel degelijk duidelijk wat het doel van de PLO was:  ‘… om de zionistische imperialistische invasie terug te drijven uit het grote Arabische geboorteland en Palestina te zuiveren van de zionistische aanwezigheid.’ (bron 8)

Dit citaat uit het PLO-handvest van 1968 laat aan duidelijkheid niet te wensen over: de leerling begrijpt dat dat vernietiging van Israël zou betekenen. Zie ook de antisemitische spotprent op p. 34 (bron 5).

 

Jan Tervoort

In de lopende tekst en aan de hand van bronnen wordt wel degelijk duidelijk gemaakt wat met de gewapende strijd van de PLO bedoeld wordt in tegenstelling tot wat Likoed hier beweert ten opzichte van deze zin.

 

30) 30. “Guerrillagroepen binnen en buiten de PLO trachtten met vliegtuigkapingen de aandacht van de wereld te trekken.” (bladzijde 37)

 

Likoed: Het lijkt zo net of dat alleen buiten Israël gebeurde en of er geen slachtoffers vielen. De vele terreuraanslagen en slachtpartijen van de PLO in Israël – op bussen, scholen, hotels enzovoort – met duizenden doden en gewonden worden weggelaten. Het effect van de decennialange terreur op de Israëlische samenleving blijft onbenoemd. Ook is er geen enkele compassie voor de slachteroffers, voor de uitgemoorde bussen en schoolklassen. Er is meer aandacht voor de dood van terroristen, want er wordt wel vermeld:
“Het Israelische leger en de geheime dienst Mossad namen steevast wraak op Palestijnse terreuracties door de daders te liquideren.”
Dit klopt trouwens ook niet, veel terroristen werden gevangen genomen.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Dat is een kwestie van “dosering van de leerstof”. Tekst wordt niet aangepast

 

Auteurs: Rond en kort na 1970 waren die vliegtuigkapingen wereldnieuws. Denk ook aan ‘München 1972’. Die terreurdaad wordt door ons uitvoerig beschreven op p. 37. Het feit dat we op deze plek allerlei aanslagen binnen Israël ongenoemd laten, is een kwestie van dosering van de leerstof, niet van bagatellisering van het kwaad van het terrorisme. Eerder spraken we over de duizenden aanvallen van Fedayeen, en verderop in ons katern (p. 54) besteden wij aandacht aan de golf van terreurdaden en zelfmoordacties door Hamas die honderden Israëli’s het leven kostten.

 

Jan Tervoort

Deze stelling is juist.

 

 

31) “Eindelijk drong bij velen het besef door dat het Palestijnse vraagstuk de kern vormde van de problematiek in het Midden-Oosten.” (bladzijde 37)

 

Likoed: Dat is een mening van de auteurs, geen feit. Een opvallende mening trouwens: dat Palestijnse terreuraanslagen nuttig waren om de publieke opinie te beïnvloeden.
En een vreemde mening: je moet wel heel blind zijn om nu nog niet te willen zien dat het de islamitische haat en moordzucht tegen mensen van een ander geloof is, die het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika kapot maakt.
Hamas, Isis, Boko Haram, Al-Shabaab, Al-Qaida, Al-Nusra, Taliban enzovoort. Miljoenen doden door gevechten tussen soennieten en sjiieten. Slachtpartijen in Algerije, Egypte, Afghanistan, Irak, Syrië, Libië, Libanon, Jemen, Nigeria, Somalië et cetera. Genocides op de Armeniërs (1,5 miljoen doden) en de christelijke Zuid-Soedanezen (1 a 2 miljoen doden) enzovoort. Sinds 1945 zijn er 250 keer meer moslims gedood door onderlinge slachtpartijen, dan in de strijd tegen de Joden. En dat zou allemaal niet hebben plaatsgevonden als het Israëlisch-Palestijnse conflict was opgelost?!
Reactie ThiemeMeulenhoff: Lange tijd is de Israëlisch-Palestijnse controverse beschouwd als hét conflict dat vrede in de weg stond. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Een eenmaal ingenomen standpunt kan zelfs als het fout is gebleken niet veranderd worden? Is dat de visie van ThiemeMeulenhoff op het hedendaagse onderwijs?

 

 

Auteurs: Het lot van de Palestijnse vluchtelingen - als cruciaal probleem en katalysator van de controverse in de regio - kwam pas echt onder de aandacht van de wereldopinie vanwege de Palestijnse acties (en Israëlische reacties). Zie bv. de ontvangst van Arafat in de VN en de stemming over de antizionismeresolutie. Dat markeerde in 1974-1975 een omslag in de wereldopinie.

Lange tijd is de Israëlisch-Palestijnse controverse beschouwd als hét conflict dat vrede in de weg stond. Inderdaad: als de kern van de Midden-Oosten-problematiek. Zou dit conflict zijn opgelost (wat nu schier onmogelijk lijkt) dan was de regio er waarschijnlijk beter aan toe geweest.

Sinds de Arabische Lente is de situatie in het Midden-Oosten dramatisch verslechterd, zodat het nu soms lijkt alsof de Israëlisch-Palestijnse kwestie naar de achtergrond is geraakt.

Maar het geeft geen pas om op deze plek alle afgrijselijke hedendaagse moordenaars- en koppensnellersgroepen van anno 2015 ten tonele te voeren om daarmee het Israëlisch- Palestijnse conflict te bagatelliseren.

 

 

Jan Tervoort

Het probleem met deze zin is wat mij betreft het woordje ‘Eindelijk’.  Dit lijkt inderdaad een mening van de auteurs in die zin dat zij hier mee te kennen geven dat het veel te lang geduurd heeft tot de internationale gemeenschap ‘het Palestijnse vraagstuk’ als de kern van de problematiek in het Midden-Oosten erkende. Hoewel ik niet op alle slakken zout wil leggen zou ik deze zin in een volgende versie toch wijzigen in: ‘Door de spontane Palestijnse opstand (de intifada) drong bij velen het besef door dat het Palestijnse vraagstuk de kern vormde van de problematiek in het Midden Oosten.’

 

 

 

32) “Enkele jaren later bleek overigens dat Israël zelf in het geheim over atoomwapens beschikte.” (over de aanval op de Irakese atoomcentrale in 1981, bladzijde 45)

 

Likoed: Dit was al lang voor 1981 bekend.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Dat klopt, maar omgeven met geheimhouding. Tekst wordt niet aangepast

 

Auteurs: Het bestaan van ‘Dimona’ was inderdaad al langer bekend, maar omgeven met geheimhouding, zoals columnist van Ha’aretz, Tom Segev, schrijft in 1967 Israël, the war, and the year that transformed the Middle East (p. 164). Het nucleaire programma in Israël was in de jaren vijftig gestart. Er gonsden geruchten over vreedzame nucleaire energie en over wapens in de jaren zestig, maar in 1966 claimde de staat nog dat ze geen nucleaire wapens had en ook niet de eerste zou zijn die ze in het Midden-Oosten zou ‘introduceren’. Hoewel de VS aannam dat Israël een atoombom zou kunnen maken schreef de undersecretary of state naar president Johnson in mei 1967: ‘We have no evidence that Israel is actually making a bomb’ (Segev p.165). Van een algemene bekendheid is geen sprake.

Pas in 1986 leidde de affaire-Mordechai Vanunu ertoe, dat dit feit wereldwijd als bekend kon worden aangenomen. Oxford-historicus Martin Gilbert schrijft dat Vanunu na zijn aankomst in Londen in enkele sessies met journalisten sprak over Dimona. Kort daarop verdween hij. De zondag na Vanunu’s verdwijning (kidnapping door Mossad, toen nog onbekend) werd het complete relaas van de klokkenluider in de Sunday Times gepubliceerd. Hiermee kwam niet alleen een einde aan de twijfel óf Israël kernwapens bezat. Het werd ook duidelijk dat Israël de op vijf na sterkste kernmogendheid ter wereld was. Volgens Vanunu had Israël de atoombom toen al twee decennia. De aard van het programma in ‘Dimona’ kon niet langer worden ontkend. Zie Israël. A History (editie 1999) p. 521-523.

Jan Tervoort

Hoewel dit voor 1981 ook wel bekend was, werd het feit dat Israël over een nucleair arsenaal beschikte algemeen publiekelijk bekend door klokkenluider Mordechai Vanunu in 1986 dus dit is correct.

 

33) “Maar de Palestijnen in de bezette gebieden kregen geen gasmaskers uitgereikt.” (over de Golfoorlog bladzijde 48)

 

Likoed: Uiteraard niet, de Palestijnen waren geen doelwit van de raketten van Saddam Hoessein. Er is dan ook geen enkele Irakese raket op de Westbank of Gaza terechtgekomen. Overigens werd daar door sommige Palestijnen wel volop feest gevierd als ze weer een raket richting Tel Aviv zagen vliegen.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Het gaat om de ongelijke behandeling, daarbij doet het er niet toe of die terecht was. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Een blijk ervan dat de auteurs coute que coute de boodschap van Israelische discriminatie willen brengen, ook als dit niet waar blijkt te zijn.

 

Auteurs: Of de politiek van Israël om de Palestijnen niet tegen gasaanvallen te beschermen terecht was of niet, wij achten deze informatie van belang. Overigens waren de scud-raketten dermate onnauwkeurig te richten, dat ook inwoners van de Westbank of Gaza gevaar liepen. Inderdaad stonden veel Palestijnen te juichen bij elke scud, en koos Arafat partij voor Saddam. Dat wordt overigens door ons op p. 48, r. 3 aangegeven.

Het voorbeeld illustreert hoe moeilijk de situatie rond Israël te beoordelen was:

- enerzijds begrijpelijk maken dat ‘gas’ voor Joden een traumatische herinnering oproept (de link met de Holocaust die wij leggen);

- anderzijds wijzen op het gegeven van ongelijke behandeling van de inwoners door de regeringspolitiek van toen.

 

 

Jan Tervoort

Waarom deze zin in de lopende tekst is geplaatst begrijp ik niet. Ten eerste veronderstelt het woord ‘maar’ aan het begin van de zin een tegenstelling met het Holocaust gevoel van eventuele gifgasaanvallen in Israël in de zin er voor. Bedoelen de auteurs hiermee dat vanwege de Holocaust Israël een grotere morele verplichting heeft dan andere staten m.b.t. het beschermen van niet-onderdanen tegen gifgasaanvallen in gebieden die zij bezet houdt? De discriminatoire behandeling van de Palestijnen in de bezette gebieden, die natuurlijk wel degelijk bestaat en waarvan dit een schrijnend voorbeeld is, is geen onderwerp in dit hoofdstuk. Feitelijk is deze zin juist maar binnen de context van het lopende geschiedverhaal over ‘de eerste Golfoorlog’ heeft deze constatering geen enkele functie. Twee alinea’s ervoor wordt geschreven dat de PLO en de Palestijnen Sadam Hoessein steunden en hem zagen als bevrijder. De scud aanvallen op Israël werden in de West Bank aanvankelijk met instemming gadegeslagen. Het was ook volstrekt duidelijk dat de West Bank, laat staan Jerusalem, geen doelwitten waren voor Sadam Hoessein. Zijn aanvallen waren gericht op Tel-Aviv/Haifa de dichtst bevolkte Joodse steden van Israël. Palestijnse burgers van Israël binnen de groene lijn kregen wel gasmaskers uitgereikt. Israël werd later door de VN op de vingers getikt voor het niet uitreiken en later het te langzaam verstrekken van gasmaskers aan Palestijnen in de bezette gebieden maar nogmaals in de context heeft dit geen enkele functie. Deze zin dient in deze context - zeker met betrekking tot de holocaust - weggehaald te worden. Mochten de auteurs dit wel willen behandelen dan binnen de context van Israëls discriminatoire beleid in de bezette gebieden elders in het boek.

 

34) “De Oslo-akkoorden spiegelden de Palestijnen in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever weliswaar zelfbestuur voor, maar dat stelde weinig voor.” (bladzijde 53)

 

Likoed: Sindsdien heeft 98% van de Palestijnen zelfbestuur, met eigen regeringen, buitenlandse politiek, politie, belastingen, rechtspraak, gevangenissen, onderwijs, televisie enzovoort. Deze autonomie is ongekend, en wordt in Europa alleen geëvenaard door Baskenland. De Palestijnen in de Gazastrook hebben zelfs de sharia ingevoerd en hebben de mogelijkheid om oorlogen  te voeren tegen Israël – over autonomie gesproken!
Reactie ThiemeMeulenhoff: wij vinden het zelfbestuur beperkt. Tekst wordt niet aangepast.

 

Auteurs: De Palestijnen op de Westbank en in Gaza leven nog altijd onder Israëlische bezetting, daarover sprak zelfs Ariël Sharon duidelijke taal. Hun zelfbestuur is zeer beperkt, en hun woongebieden op de Westbank worden omringd door Joodse nederzettingen. Eigen buitenlandse politiek is een illusie zolang er geen levensvatbare Palestijnse staat is (wat nu schier onmogelijk lijkt).

De toevoeging over de Palestijnen op de Gazastrook die de ‘mogelijkheid hebben oorlog tegen Israël te voeren’ is ontbloot van nuance. Hier zitten honderdduizenden zonder werk of toekomst in wat sommigen noemen een openluchtgevangenis. Zij zijn ook door Hamas gegijzeld.

Dat Hamasstrijders met raketbeschietingen reageerden op Sharons evacuatie van de Joodse kolonisten staat te lezen op p.54. Dat is een van de vele plaatsen in ons katern waarin het geweld tegen Israël van extreme Palestijnen / moslims concreet in beeld wordt gebracht. De geachte opponent zou dit mee kunnen wegen in zijn oordeel.

 

 

Jan Tervoort

Beter is: maar de mate van autonomie bleef door voortschrijdende Israëlische kolonisatie en het niet volgens plan uitvoeren van de akkoorden beperkt.

 

35) “In 2000 bood Israël Arafat 95% van de Westelijke Jordaanoever aan (de beste stukken zouden Israëlisch blijven). … Een andere bron van conflict was de status van Jeruzalem.” (bladzijde 53)

 

 

Likoed: Het aanbod omvatte ook de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de Tempelberg, precies wat de Palestijnen wilden. Waarom er dan ‘beste stukken’ zouden ontbreken, blijft een raadsel. Net als waarom Arafat het voorstel afwees. President Clinton gaf Arafat de volledige schuld voor het niet bereiken van vrede. Wij zijn ook erg benieuwd waar die ‘beste stukken’ liggen, en wat er zo goed is aan die stukken. Olie zit er in ieder geval niet in de grond.
NB Op pagina 37 werd nog gesteld dat Arafat wel bereid zou zijn tot een compromis.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De onverzettelijkheid van de Palestijnen kwam omdat de Palestijnen geloofden dat de onderhandelingen hen geen staat en geen welvaart op zouden leveren. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: De auteurs spreken zich tegen, want er werd de Palestijnen wel een staat aangeboden. Deze uitleg staat ook niet in het boek. Wat wel in het boek staat (“beste delen”) is nergens op gebaseerd en blijken de auteurs dan ook niet uit te kunnen leggen.

 

Auteurs: Zoals in A Brief History of Israël (2005) door Bernard Reich geschreven wordt, heeft Barak inderdaad zijn nek uitgestoken met het aanbod dat hij deed. Het gevolg was wel dat zijn coalitie uit elkaar viel en hij net een motie van wantrouwen politiek kon overleven. Had hij de akkoorden door de Knesset kunnen loodsen? Eugene Rogan (genoemd in het antwoord op punt 13) kan licht doen schijnen op de Palestijnse houding en de opmerkingen over de stukken land. Rogan schrijft in De Arabieren (2011, p. 643-646) dat het vredesproces met een moeizame opbouw van wederzijds vertrouwen gepaard ging. Voor de Palestijnen zat hem de moeilijkheid in de economische groei van Israëlische gebieden waar juist krimp plaatsvond in de Palestijnse gebieden (één op de vier inwoners op de Westoever en Gaza waren tot armoede vervallen). In deze context, zo gaat Rogan verder, was het Israëlische besluit om de nederzettingen uit te breiden (een toename van 52% in de Oslo-periode) een schop tegen het zere been. Volgens de Palestijnen was dit een schending van het internationaal recht en de Oslo II akkoorden. De nederzettingen werden bovendien gebouwd nabij steden en op plekken die toegang tot en controle over de schaarse watervoorziening op de Westoever verschaften (p. 644). Rogan vat het samen door te zeggen dat de woede van de Palestijnen en de onverzettelijkheid van de PA in de onderhandelingen met Barak voortkwamen uit de opvatting dat de onderhandelingen in deze omstandigheden geen staat, geen eigendomszekerheid en geen welvaart op zouden leveren. Dit is ook de context waarin de tweede intifada (zie punt 36) uitbrak. Rogan zegt hierover nog het volgende in relatie tot het vredesproces (en we kunnen dit meteen zien als een inleiding op het antwoord op punt 36): ‘De tweede intifada brak uit nadat Ariël Sharon, die tot leider van de rechtse Likoedpartij was uitgegroeid, op 28 september 2000 een bezoek aan Oost-Jeruzalem had gebracht. Bij de topontmoeting had premier Ehud Barak de mogelijkheid geopperd Oost-Jeruzalem onder Palestijns bestuur te stellen en Jeruzalem als hoofdstad van zowel Israël als Palestina te laten fungeren. Dit voorstel was in Israël uiterst controversieel en bracht enkele leden van Baraks coalitie ertoe uit protest hun kabinetszetel op te geven, wat weer in nieuwe verkiezingen resulteerde. Jeruzalem leverde Sharon veel stemmen op. Hij besloot een bezoek aan de tempelberg in Oost-Jeruzalem te brengen om de claim van zijn partij op Jeruzalem als ongedeeld hoofdstad van Israël kracht bij te zetten en zijn campagne te starten om Barak uit het zadel te stoten.(…) Tegenover de groep journalisten die de Likoed-leider volgden zegde hij [lopend over de Tempelberg - RB] toe dat hij in heel Jeruzalem het Israëlische bestuur zou handhaven.’ (p. 644-645).

 

Jan Tervoort

De tekst tussen haakjes (de beste stukken zouden Israëlisch blijven) is onzorgvuldig geformuleerd ook al neem ik de reactie van de auteurs waar zij Eugene Rogan citeren mee in de beoordeling. Binnen de context van het aanbod dat Ehud Barak deed was niet het motief om die 5% van de West Bank te behouden omdat dat de ‘beste stukken’ zouden zijn maar om zo’n groot mogelijk deel van Israëlisch onderdanen en nederzettingen binnen de staat Israël te krijgen. Dat deze gebieden economisch en ecologisch betere voorzieningen kenden is binnen de context van het aanbod voor de Israëli’s niet ter zake doende. Nu wordt de suggestie gewekt dat Israël die 5% van de West Bank wilde houden omdat dat de beste stukken zouden zijn. Mijn advies is de tekst tussen haakjes weg te halen of uitgebreider in te gaan waarom Israël juist die 5% wilde behouden en waarom dat voor Arafat een probleem was.

 

36) “Toen de Israëlische politicus Ariel Sharon (Likoed) een provocerend bezoek bracht aan de Tempelberg, brak er onder Palestijnen een nieuwe intifada uit.” (bladzijde 53)

 

Likoed: Dit is volstrekt niet waar, zoals ook het officiële rapport van de internationale Mitchell Commissie concludeert. Het geweld was lang vooraf gepland en aangekondigd door de Palestijnse Autoriteit. Dat is voor iedereen zelf trouwens eenvoudig te constateren. Op de Likoed site staan twee artikelen uit de internationale media die het geweld aankondigen: ‘Arafat talks of battles in a few weeks’ en ‘Palestinians prepare for September war’.
Deze berichten dateren van drie maanden voor het begin van de tweede intifada. Toen was dus al algemeen bekend dat Arafat het geweld aan het voorbereiden was en de rellen begonnen al voor het bezoek.
Zoals die artikelen al laten zien, was het de bedoeling van Arafat om de tweede intifada te laten beginnen nadat hij de Amerikaanse vredesvoorstellen zou hebben getorpedeerd. Het was de bedoeling om zo de aandacht van dat feit af te leiden.
Zie uitgebreider: 
Weduwe erkent: Arafat plande en leidde de tweede intifada.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Het klopt dat het Mitchell rapport dit constateerde. Het mislukken van Camp David was inderdaad een oorzaak. Tekst wordt echter niet aangepast.

 

Auteurs: Het uitbreken van de Tweede Intifada in september 2000 was een samenspel van factoren. Het mislukken van Camp David in juli 2000 was er een van. De provocatie van Sharon speelde beslist ook mee. Rogan, bijvoorbeeld, schrijft hierover dat de hoogste islamitische geestelijke in de Aqsamoskee voor de camera zijn tulband afgeslagen wordt door veiligheidsmensen (1500 agenten sterk aanwezig). Dit zou mede geleid hebben tot de massale opkomst naar het vrijdaggebed een dag later (p. 645).  Daniël Byman (Georgetown University) schrijft over de gebeurtenis: ‘Ariel Sharon’s visit to the Temple Mount on September 28, 2000 sparked the Second Intifada. Palestinians loathed Sharon as, in their view, the sword-bearer of Israel’s reprisal strategy in the 1950s, as a father of Israel’s settlement policy, and as the butcher of Palestinians in Lebanon after Israel’s 1982 invasion. Sharon’s visit sparked widespread protests and riots, which the Israeli police put down with tear gas and rubber bullets. Many Israelis believe Arafat had deliberately instigated the violence.15 From there the violence escalated, each round drawing more blood.’ (in Terrorism and Political violence, 2012, p.827)

Het Mitchell rapport laat, zoals de heer Struick van Bemmelen doet geloven, niet zien dat Palestijnse Autoriteit alleen verantwoordelijk is voor de intifada. De commissie geeft aan niet te willen oordelen, maar de verhalen van de partijen weer te willen geven (zoals ook goed te lezen is in het boek van Reich, A Brief History of Israel, p. 223-224). Hoewel men in het rapport constateert dat Sharon´s bezoek niet de oorzaak is van de intifada (wat getuige de stukken van Byman en Rogan niet onomstreden is, en het rapport ook vermeldt dat het bezoek een provocatief effect heeft gehad), wordt de schuld ook niet bij de PA neergelegd. http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/Peace/Mitchellrep.html

 

NB: Op deze zelfde bladzijde in de katern staat overigens ook te lezen hoe in de Tweede Intifada door de PLO propagandistisch misbruik werd gemaakt van de dood van het jongetje Mohammed al-Dura. Deze ontmaskering van Palestijnse propaganda onderstreept dat wij als auteurs niet zijn behept met anti-Israëlische vooroordelen.

 

 

 

Jan Tervoort

Dit kan inderdaad als een aanleiding beschouwd worden. De oorzaken liggen uiteraard dieper en over de mate van spontaniteit van de tweede intifada valt te discussiëren.  In dit aparte blok is echter geen ruimte om daar al te diep op in te gaan.

 

37) “De bouw van Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever lokte terreuraanslagen van Hamas uit.” (bladzijde 54)

 

 

Likoed: Een idiote bewering: volgens het Handvest van Hamas moet heel Israël vernietigd worden, op islamitische gronden. Ook is het volgens dat Handvest een islamitische verplichting om de Joden uit te roeien, want de Joden zijn de wortel van al het kwaad in de wereld. Wie een Jood dood en daarbij omkomt, is een martelaar en gaat naar de islamitische hemel. Met ‘nederzettingen’ heeft dat niets te maken.
De Arabische Jodenhaat in het algemeen en die van Hamas in het bijzonder zijn trouwens sowieso een opvallende afwezige in het boek. Terwijl uit een onderzoek in 2014 bleek dat 75% van de inwoners van het Midden-Oosten en Noord-Afrika antisemitisch is, en zelfs 93% van de Palestijnse Arabieren.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Wij schrijven dat Hamas zo veel mogelijk Joden wilde doden. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Dat staat er niet, in het boek gaat het niet over “Joden” maar over “Israëli’s”. De auteurs blijken hun eigen boek niet goed te kennen, daarin wordt niet gesproken over Joden maar over Israëli’s. Zodat het overheersende motief van de moslimfundamentalisten, hun Jodenhaat, onbeschreven blijft. Want die proberen niet om alle Israëli’s te doden – immers, 20% is moslim – maar alleen de 80% van de Israëli’s die Joods zijn.

 

 

Auteurs: Hier wordt een zin uit zijn verband gerukt. De context is de golf van terreuraanslagen, die (op p.54) voldoende concreet wordt beschreven. Het was (en is?) een kwestie van actie en reactie. Te midden van al het geweld besloot de Israëlische regering tot harde maatregelen, w.o. ook de bouw / legalisering van nieuwe nederzettingen. Dit zette kwaad bloed bij Palestijnse radicalen en veroorzaakte nieuw geweld, etc. Een noodlottige spiraal!

De bouw van de verdedigingsbarrière wordt door ons ook begrijpelijk gemaakt vanuit Israëlisch perspectief; zij het met de toevoeging dat de loop van de muur door veel Palestijnen werd ervaren als nieuw symbool van onderdrukking.

Om de moorddadige plannen van Hamas met Israëli’s winden wij beslist geen doekjes, zoals de heer Struick van Bemmelen suggereert. Lees bijvoorbeeld hoe Hamas zelfmoordaanslagen organiseerde (p.44) en hoe zelfmoordterroristen zoveel mogelijk Joden de dood in probeerden te jagen (p.54). Dit is hierboven ook al besproken, bv. onder punt 29 en 30.

Het is beslist niet zo dat de Arabische Jodenhaat de ‘opvallende afwezige’ is in ons boek!

 

 

Jan Tervoort

Deze zin is wat kort door de bocht en semantisch niet juist. Er is geen enkelvoudig direct oorzakelijk verband tussen de bouw van nieuwe nederzettingen en aanslagen van Hamas. De geweldspiraal wordt al voldoende in deze alinea beschreven echter.

 

38) “Maar Arafat kon ook niets doen tegen de terreur van Hamas.” (bladzijde 54)

 

Likoed: Dit is onzin, Arafat moedigde Hamas juist aan om terreur te plegen, zoals Hamas heeft verklaard. Ook pleegden terreurgroepen van Arafat’s eigen PLO nog steeds terreuraanslagen. De PLO is daarom door een Amerikaanse rechtbank veroordeeld tot schadevergoedingen aan de Amerikaanse slachtoffers. De Palestijnse Autoriteit beschikte bovendien over tienduizenden zwaar bewapende politieagenten. Deze deden niets tegen de terreur.
Op bladzijde 37 suggereert u al dat Arafat wou stoppen met terreur: “Hij probeerde zijn PLO om te vormen van een terreurorganisatie tot een politieke beweging”. Niets is minder waar: zelfs na het tekenen van de Oslo-akkoorden – en in grove schending daarmee – werden de terreurorganisaties van de PLO niet ontwapend en bleven volop aanslagen plegen.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Arafat was een machteloze figuur. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Hoe merkwaardig om iemand die in die tijd nog honderden terreuraanslagen op Israëli’s liet plegen “machteloos” te willen noemen.

 

 

Auteurs: Arafat was in zijn laatste jaren een machteloze figuur, belaagd door Sharon, beconcurreerd door Hamas, niet in staat zijn eigen PLO te managen, bovendien corrupt etc. Dat hij niet alleen onmachtig was om Hamas-terroristen aan te pakken, maar ook daartoe de bereidheid miste, staat bij ons te lezen op p.54, meteen na de gewraakte zin: ‘De Palestijnse Autoriteit (PA) was niet in staat of bereid om het Hamasgeweld te beteugelen.’

 

 

Jan Tervoort

In de tekst wordt duidelijk vermeld dat hij niet in staat ‘of bereid’ was iets aan het geweld van Hamas te doen dus geen punt.

 

39) “Irak bezit namelijk, op Saoedi-Arabië na, de grootste oliereserves ter wereld.” (bladzijde 56)

 

Likoed: Irak is daarin vijfde volgens Wikipedia.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Onze tekst dateert uit 2003, toen klopte dit, tekst wordt niet aangepast

 

Auteurs: Onze tekst speelt omstreeks 2003, volgens toen geraadpleegde gegevens bezat Irak de op 1 na grootste oliereserves. Dat deze situatie volgens Wikipedia in 2012 anders was, doet niet ter zake voor de oorlog van 2003.

 

 

Jan Tervoort

Als dat in 2003 het geval was dan is dat prima.

 

40) “In 2009 brachten verkiezingen opnieuw een door de rechtse Likoed gedomineerde coalitie aan de macht. … Voorlopig was er geen enkel zicht op een bevredigende regeling van het Palestijnse vraagstuk.” (bladzijde 55)

 

Likoed: In 2009 had er juist een doorbraak kunnen zijn. Want Netanjahoe stelde toen als eerste Likoed leider aan de Palestijnen voor om over de tweestatenoplossing te onderhandelen en kondigde een vrijwillige bouwstop af in de nederzettingen. De Palestijnen kwamen pas na lang tijd rekken en onder zware Amerikaanse druk naar de onderhandelingstafel, niet bereid tot serieuze onderhandelingen.
Sowieso zijn de Palestijnen de afgelopen 80 jaar nog nooit met een serieus in de praktijk werkbaar vredesvoorstel gekomen. Integendeel, zij hebben elk internationaal voorgesteld compromis afgewezen, zoals in 1937, 1947 en 2000/2001. Die allen door de Joden wel werden geaccepteerd.
Reactie ThiemeMeulenhoff: De Palestijnen geloofden Netanjahoe niet. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Waarom staat dit dan niet in het boek, dat het niet aan de Israëli’s ligt, maar aan Palestijns ongeloof?

 

Auteurs: Begrijpelijk dat anno 2009 de woorden van Netanyahu over een ‘vrijwillige bouwstop’ niet erg geloofwaardig klonken in de oren van de Palestijnse onderhandelaars; inmiddels woonden er al honderdduizenden kolonisten op de Westbank, met steun en zegen van met name de kabinetten waarin Likoed de boventoon voerde.

 

 

Jan Tervoort

In dit stukje tekst is niets feitelijk mis. Netanyahu en Likoed zijn binnen het ‘vredesproces’ vanaf 2009 totaal onbetrouwbaar partners gebleken wat leidde tot de grootste crisis in de Amerikaans Israëlisch betrekkingen sinds 1967. Dat Likoed wat dit punt de loftrompet afsteekt is opvallend maar niet verrassend natuurlijk.

 

41) “Tweestatenoplossing: twee staten in het mandaatgebied Palestina. Israël voor de Joden en een ministraatje voor de Palestijnen (Gazastrook en Westelijke Jordaanoever).” (bladzijde 72)

 

Likoed: Het mandaatgebied Palestina zoals in 1922 toegewezen aan het Joodse volk, bevatte ook Jordanië. Die 75% van het grondgebied van het mandaatgebied is al eerder afgesplitst als deel voor de Arabieren.
Reactie ThiemeMeulenhoff: Na 1922 maakte Jordanië geen deel meer uit van het mandaatgebied Palestina. Tekst wordt niet aangepast.
Commentaar Likoed: Wat telt is de uitgangssituatie. Dat was ook de situatie die was vastgelegd in het internationaal recht.

 

 

Auteurs: Deze bewering is onjuist: Op instigatie van Churchill werd juist toen het oorspronkelijke mandaatgebied  feitelijk gesplitst in ‘Palestina’ en ‘Transjordanië’. Vanaf 1922 spreken we dus van Palestina als we het gebied bedoelen tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan. Gezien de staatsvorming die leidde tot het huidige koninkrijk Jordanië is het moeilijk denkbaar (hoewel niet geheel onmogelijk) dat dit land wordt betrokken bij een toekomstige tweestatenoplossing (hiervoor pleit Benny Morris in zijn boek One state, two states uit 2009).

 

Jan Tervoort

Het argument van Likoed doet niet ter zake omdat er pas van een tweestatenoplossing in het mandaatgebied Palestina werd gesproken na de afscheiding van Jordanië in 1922 zoals de auteurs ook aangeven. Omdat deze tekst onderdeel van de begrippenlijst is en er dus geen context is, zou ik hier niet spreken van een ‘ministaatje’. Dat is de uitkomst nu van de moeilijk gebleken ‘tweestatenoplossing’. In de tweestatenoplossing van de VN in 1947 of die van de Peelc omissie in 1937,  is er dan ook sprake van een ‘ministaatje’? Geven de auteurs hiermee aan dat een tweestatenoplossing vanuit haar aard altijd nadelig zou zijn voor de Palestijnen en altijd op een ‘ministaatje’ uit zou lopen?

 

 

 

Jan Tervoort, 13/09/2015